BEVATTENDE TWISTEN VAN GEEN BUITENGEWONEN AARD.

Jufvrouw Honour had hare jonge meesteresse naauwelijks verlaten, als

iets, (want ik wilde niet als de oude vrouw in Quivedo, den Satan

beleedigen door eene valsche beschuldiging,—en welligt had hij

hoegenaamd met deze zaak niets te maken),—als iets, zeg ik, haar ingaf,

dat zij door Sophia en al hare geheimen aan den heer Western te

verraden, waarschijnlijk zich zelve zeer bevoordeelen zou. Vele

beschouwingen zetten haar tot deze ontdekking aan. Het schoone

vooruitzigt op eene zware belooning voor zulk eene groote en gewenschte

dienst was verleidelijk voor hare geldzucht, en daarbij was hare vrees

opgewekt door het gevaar van de onderneming waartoe zij zich verbonden

had, door de onzekerheid omtrent den uitslag, door den angst voor den

nacht, voor de koude, voor roovers en moordenaars. Dit alles werkte zoo

sterk op haar, dat zij bijna vast besloten had regtstreeks bij den

landjonker te gaan, en hem de heele zaak te openbaren. Zij was evenwel

te regtvaardig om dadelijk een vonnis te vellen zonder beide partijen

gehoord te hebben. En nu trad eerst de reis naar Londen levendig voor

haar geest en pleitte zeer ten gunste van Sophia. Zij verlangde zeer

eene stad te zien, waar zij zich een geluk voorspiegelde bijna even

groot als een heilige in zijne vervoering in den Hemel wacht. Ten

tweede, daar zij wist dat Sophia veel milder van aard was dan haar

vader, had zij grooter voordeel te wachten van hare getrouwheid dan van

haar verraad. Zij ging er nu toe over, om al de voorwerpen, die, van

den anderen kant, hare vrees hadden opgewekt, op nieuw heel naauwkeurig

te onderzoeken, en bevond eindelijk, dat ze niet veel te beteekenen

hadden. En nu, toen beide schalen ongeveer even zwaar wogen, wierp zij

hare liefde tot hare meesteresse aan den kant harer eerlijkheid en deed

die schaal eenigzins overhellen, toen ééne omstandigheid haar

plotseling voor den geest rees, die eene gevaarlijker uitwerking had

kunnen hebben, als het heele gewigt er van in de andere schaal geworpen

ware geweest. Dit was de tijd die er nog verloopen moest eer Sophia in

staat zou zijn hare belofte te vervullen; want hoewel zij aanspraak had

op het vermogen harer moeder bij haar vaders dood, en op de som van

drie duizend pond, haar door een oom vermaakt, zoodra zij meerderjarig

was, was dit alles nog in de verre toekomst, en vele ongelukken konden

gebeuren om de bedoelde mildheid der jonge dame te verijdelen; terwijl

de belooning van den heer Western te wachten, dadelijk volgen zou.

Terwijl zij nog met deze bedenking bezig was, beschikte de

beschermengel van Sophia, of Honours eerlijkheid, of misschien het

toeval, eene gebeurtenis die hare trouw redde en haar zelfs de zaak

gemakkelijk maakte.

De kamenier van mejufvrouw Western namelijk, matigde zich om vele

redenen, eene groote meerderheid aan boven jufvrouw Honour. Ten eerste

was zij van betere afkomst; want hare over-grootmoeder van moeders

kant, was eene soort van nicht van een Ierschen pair. Ten tweede, trok

zij een hooger loon. En eindelijk had zij in Londen gewoond, en dien

ten gevolge meer van de wereld gezien. Zij had zich dus altijd

tegenover jufvrouw Honour gedragen met die terughouding, en had van

haar steeds die blijken van onderscheiding geëischt, die elke stand

onder de vrouwen zelfs in acht neemt en steeds vordert in den omgang

met vrouwen van minderen rang. Daar Honour echter het niet altijd eens

was met deze leer, maar dikwerf inbreuk maakte op den eerbied door de

andere geëischt, was de kamenier van mejufvrouw Western volstrekt niet

met haar gezelschap ingenomen, en verlangde inderdaad zeer naar huis

terug te keeren, waar zij den baas speelde over al de overige

dienstboden van hare meesteresse. Zij had daarom eene groote

teleurstelling ondervonden op den dag toen mejufvrouw Western, op het

punt van te vertrekken, plotseling van voornemen veranderde,—en sedert

dien tijd was zij in alles behalve een lief humeur geweest.

Zij was dus nog in deze aangename stemming toen zij in de kamer kwam,

waar Honour, op boven beschrevene wijze, nog den strijd met zich zelve

voerde. Zoodra deze haar zag, sprak zij haar als volgt beleefd aan:

„Zoo, jufvrouw! Naar ik hoor zullen wij de eer van uw bijzijn langer

genieten dan ik gedacht had; want ik verbeeldde me dat de ruzie

tusschen mijnheer en zijne zuster ons daarvan beroofd zou hebben.”

„Ik weet volstrekt niet, jufvrouw,” hernam de andere, „wat gij met wij

en ons bedoelt. Ik verzeker u dat ik geen der dienstboden hier in huis

als mijns gelijken beschouw. Ik hoop dat ik altijd goed gezelschap ben

voor hunne meerderen! Ik spreek niet zoo zeer van u, jufvrouw Honour;

want gij zijt nog al een fatsoenlijk meisje en als ge nog iets meer van

de wereld zult gezien hebben, zou ik me niet schamen mij met u in de

Londensche Parks te vertoonen—”

„Hola, ho!” riep Honour. „Heeft de juffer weer een harer kuren?

Jufvrouw Honour, zegt gij! Wel verpligt! Waarom noemt ge me niet bij

mijn „van;” want ofschoon mijne meesteresse me Honour noemt, heb ik

ook, even goed als andere menschen, een familie-naam. U niet schamen u

met mij te vertoonen, zegt ge!—Met mij, die, naar ik hoop, even goed

ben als gij!”

„Daar gij mijne beleefdheid op die wijze beantwoordt,” hernam de

andere, „moet ik u wel zeggen, jufvrouw Honour, dat gij mijns gelijken

niet zijt! Hier buiten, ja, moet men zich met allerlei volk behelpen;

maar in stad ga ik alleen met fatsoenlijke menschen om. Wezenlijk,

jufvrouw Honour, ik hoop dat er eenig onderscheid bestaat tusschen ons

beide!”

„Dat hoop ik ook,” antwoordde Honour. „Er bestaat eenig verschil in

leeftijd,—en naar ik geloof ook in uiterlijk!”

Met deze laatste woorden zeilde zij de kamenier van mejufvrouw Western

voorbij met de meest uittartende minachting, den neus ophalende, met

het hoofd in den nek, en met geweld haren hoepel tegen dien harer

mededingster doende aanbonzen. De andere dame riep een harer

kwaadaardigste glimlagchen op en zeide:

„Schepsel! Gij zijt te min voor mijn toorn! Het zou beneden mijne

waardigheid zijn, scheldwoorden te gebruiken tegen zulk eene

onbeschaamde, onbeschofte feeks, maar, gij heks! dat zult ge wel van

mij hooren, dat uwe manieren wel de laagheid uwer afkomst en uw gebrek

aan opvoeding bewijzen, en dat beide u best geschikt maken om de

verachtelijke dienstbare te zijn van zoo’n landmeisje!”

„Scheld mijne jonge dame niet uit!” riep Honour. „Dat verdraag ik niet!

Zij is zoo veel beter als zij jonger is dan de uwe, en tien duizendmaal

mooijer!”

Hier wilde het ongeluk, of liever het geluk, dat mejufvrouw Western

zelve binnen kwam en hare kamenier in tranen vond, die rijkelijk

begonnen te vloeijen toen zij naderde; en zoodra zij naar de reden

harer droefheid gevraagd werd, maakte zij haar dadelijk bekend, dat die

tranen uitgelokt waren door de onbeschofte behandeling van „dat

schepsel dáár!” waarmede Honour bedoeld werd.

„En, jufvrouw,” ging zij voort, „ik zou alles veracht hebben wat ze mij

zeide; maar zij had de onbeschaamdheid om op eene beleedigende wijze

van u te spreken, en u leelijk te heeten,—ja, jufvrouw, zij noemde u

eene leelijke oude kat, hier in mijn bijzijn,—en ik kan het niet

verdragen u leelijk te hooren noemen!”

„Waartoe hare onbeschaamde woorden te herhalen?” zei jufvrouw Western.

En zich daarop tot Honour wendende, vroeg zij haar: „Hoe zij zich

verstouten durfde op eene oneerbiedige wijze van haar te spreken?”

„Oneerbiedig, jufvrouw!” riep Honour. „Ik heb in ’t geheel niet van u

gesproken! Ik zeide wel dat zeker iemand niet zoo mooi was als mijne

meesteresse, en dat weet de jufvrouw ook wel!”

„Zwijg!” riep de dame; „ge zijt eene ondeugende heks en ik zal u

leeren, dat gij het regt niet hebt over mij te praten! Als mijn broeder

u niet dadelijk de deur uitzet, wil ik geen oogenblik meer onder zijn

dak doorbrengen! Ik zal hem gaan opzoeken en u dadelijk doen wegjagen!”

„Wegjagen!” riep Honour, „en wat dan? Zijn er geen andere diensten in

de wereld te krijgen? Dank zij den Hemel, goede dienstboden hebben

nooit gebrek aan eene dienst! En als gij allen wegjaagt, die u niet

mooi vinden, zult gij spoedig gebrek aan dienstboden hebben! Dat is

waar!”

Mejufvrouw Western zei, of liever bulderde iets tot antwoord; daar hare

woorden echter ter naauwernood verstaanbaar waren, en wij ze dus niet

letterlijk weergeven kunnen, zullen wij hier eene redevoering niet

herhalen, die haar zeker weinig eer deed. Zij ging daarop haar broeder

zoeken, met zulk een woedend gelaat, dat zij eerder op eene furie dan

op een menschelijk wezen geleek.

De twee kamenieren, weder aan zich zelve overgelaten, begonnen nu op

nieuw den twist, die weldra eindigde met een strijd van meer

handtastelijken aard. Hierin bleef de overwinning aan den kant van de

dame van minderen rang; maar niet zonder dat het haar wat bloed, wat

haar, en wat neteldoek en batist gekost had.

Tom Jones · 第 122 / 340 题