BEVATTENDE ONDERSCHEIDENE ZAKEN, DIE WELLIGT HEEL NATUURLIJK—MAAR DIE
OOK GEMEEN ZIJN.
De lezer gelieve zich te herinneren dat wij den heer Jones bij het
begin van dit boek op weg naar Bristol verlieten, van waar hij zijn
geluk op zee wilde zoeken, of liever zijn ongeluk aan wal ontloopen.
Het gebeurde, en dat is niets zeer ongewoons, dat de gids die hem er
brengen moest, ongelukkig zelf den weg niet wist, en van het regte
spoor afgekomen zijnde, daar hij zich schaamde naar den weg te vragen,
heen en weder dwaalde tot de avond viel en het donker begon te worden.
Jones, die de waarheid vermoedde, sprak den gids er over aan; maar deze
hield vol dat zij op het regte pad waren, en voegde er bij, dat het
toch al heel vreemd zou zijn als hij den weg niet vinden kon naar
Bristol, hoewel het eigenlijk veel vreemder zou geweest zijn, als hij
hem gekend had, daar hij nooit van zijn leven daar geweest was.
Jones stelde niet genoeg vertrouwen in zijn gids om niet bij zijne
aankomst in een dorp den eersten den besten dien hij ontmoette, te
vragen of zij op den weg waren naar Bristol?
„Waar komt ge van daan?” vroeg de kerel.
„Dat doet er niet toe,” hernam Jones, eenigzins knorrig; „ik wilde maar
weten of dit de weg is naar Bristol?”
„De weg naar Bristol?” herhaalde de andere zich achter het oor
krabbende. „wel, mijnheer, ik geloof haast niet dat ge van avond naar
Bristol zult komen langs dezen weg.”
„Maar zeg ons dan, vriend,” zei Jones, „welken weg wij inslaan moeten?”
„Wel, mijnheer,” riep de boer, „ge moet, de hemel weet hoe ver,
afgedwaald zijn! Dit is de weg naar Gloucester!”
„Nu! En welken kant moet ik uit, om naar Bristol te komen?” vroeg
Jones.
„Wel, ge gaat nu van Bristol af,” antwoordde de andere.
„Dus moeten wij terug?” zei Jones.
„Wel zeker!” hernam de boer.
„En als wij weer boven op den heuvel gekomen zijn, welken kant moeten
wij dan uitgaan?”
„Ge moet maar den regten weg volgen.”
„Maar ik herinner me dat er twee wegen zijn: één regts en de andere
links.”
„Nou,—ge moet regts gaan en dan regt uit; maar vergeet niet eerst regts
in te slaan, en dan weêr links, en dan nog eens regts; en dan komt ge
bij het heerenhuis, en daarvan daan moet ge regt toe gaan en links
inslaan.”
Een andere mensch naderde nu en vroeg waarheen de heeren gingen? Zoodra
hij dit van Jones vernomen had, krabde hij zich ook eerst achter het
oor en dan, leunende op een staak, die hij droeg, zeide hij: „Dat hij
den weg regts omstreeks een half uur moest volgen,—of zoo wat,—en dat
hij dan op eens links moest afslaan, eer hij voorbij het huis van
mijnheer Jan Barnes kwam.”
„Maar hoe zal ik het huis van mijnheer Jan Barnes kennen?” vroeg Jones.
„Mijn hemel!” riep de kerel, „kent gij mijnheer Jan Barnes niet? Waar
komt ge dan van daan?”
Deze twee kerels hadden het geduld van Jones bijna uitgeput, toen een
eenvoudig, fatsoenlijk er uitziend mensch (een Kwaker) naderde en hem
aldus aansprak: „Vriend, naar ik merk, zijt ge verdwaald, en als gij
goeden raad volgen wilt, moet ge heden nacht niet trachten verder te
komen. Het is al bijna donker en de weg is moeijelijk te
vinden;—bovendien hebben er in den laatsten tijd verschillende
aanrandingen plaats gehad tusschen hier en Bristol. Vlak in de buurt is
er echter eene zeer fatsoenlijke herberg, waar gij en uw paarden het
best hebben zult tot morgen vroeg.”
Na zich een weinig bedacht te hebben, besloot Jones tot den volgenden
morgen daar te blijven, en zijne nieuwe kennis bragt hem naar de
herberg.
De waard, een zeer beleefd mensch, zeide tot Jones, „dat hij hoopte dat
hij het slechte onthaal voor lief zou willen nemen; want dat zijne
vrouw van huis was en bijna alles opgesloten en de sleutels medegenomen
had.” Het ware van de zaak was echter dat hare lievelings-dochter pas
getrouwd was, en dat deze en hare moeder den armen man bijna van alles
beroofd hadden,—zijn geld daarbij;—want hoewel hij verscheidene
kinderen had, was deze dochter de eenige gunsteling der moeder,—en om
aan de luimen van dit eene kind te voldoen, zou zij met genoegen al de
overige kinderen en haar man op den koop toe, opgeofferd hebben.
Hoewel Jones zich niet geschikt gevoelde voor eenig gezelschap, en
verkozen zou hebben alleen te blijven, kon hij de lastigheid van den
goeden Kwaker niet ontloopen, die des te te begeeriger scheen om bij
hem te blijven, daar hij de droefheid opgemerkt had, welke zigtbaar was
op zijn gelaat en in zijne houding en die de waardige Kwaker door zijn
omgang eenigzins dacht te verzachten.
Nadat zij eenigen tijd aldus met elkaar gesleten hadden, gedurende
welken de eerlijke vreemdeling zich had kunnen verbeelden bij eene
stille Kwakers vergadering tegenwoordigte zijn, begon de Kwaker door
den een of anderen geest, waarschijnlijk die der nieuwsgierigheid,
bezield te worden, en zeide: „Vriend, ik zie dat u het eene of andere
treurig ongeval overkomen is; maar, bid ik u, wees getroost! Misschien
hebt gij een vriend verloren. Zoo ja, vergeet niet dat wij allen
sterfelijk zijn. En waarom zoudt gij treuren, terwijl gij weet, dat
zulks uw vriend niet baten zal? Wij zijn allen voor het ongeluk
geboren. Ik zelf heb mijne ongelukken te dragen, even goed als gij,—en
zeer waarschijnlijk nog grootere rampen. Hoewel ik een zuiver vermogen
heb van honderd pond sterling ’s jaars, wat zooveel is als ik noodig
heb, en mijn geweten, dank zij den Hemel, mij niets verwijt,—en daarbij
mijn gestel sterk en gezond is, en geen mensch iets van mij te vorderen
heeft, noch mij van iets beschuldigen kan,—toch, vriend, zou het mij
spijten, als ik u voor zoo rampzalig moest houden als ik ben.”
Hier eindigde de Kwaker met een zwaren zucht, en Jones hernam strakjes:
„Het spijt me zeer, mijnheer, te vernemen dat gij ongelukkig zijt,—om
welke reden ook.”
„De reden is—mijne eenige dochter,” hernam de Kwaker. „Een meisje dat
mijne eenige vreugde ter wereld uitmaakte, en dat, in den loop dezer
week weggeloopen en tegen mijn zin getrouwd is. Ik had een geschikten
man voor haar gevonden, een bedaard mensch, en iemand die wat heeft in
de wereld; maar zij wilde hare eigene keuze volgen, en is op den loop
gegaan, met een jongen die geen duit bezit. Als zij gestorven ware, zoo
als ik veronderstel dat met uw vriend het geval is, zou ik me gelukkig
gevoeld hebben.”
„Dat luidt toch vreemd, mijnheer,” zei Jones.
„Wel! zou het niet beter voor haar zijn dood te wezen dan te bedelen?”
vroeg de Kwaker; „want, gelijk ik zeide, die vent heeft geen duit ter
wereld, en zij kan niet wachten dat ik haar ooit een stuiver geven zal.
Neen! Daar zij uit liefde getrouwd is, moet zij van de liefde leven als
zij dat kan, en zien of iemand haar zilver- of kopergeld daarvoor geven
wil.”
„Gij weet best wat u te doen staat, mijnheer,” hernam Jones.
„Wel!” vervolgde de Kwaker, „het moet een lang vooraf beraamd plan
geweest zijn om mij te foppen; want zij hebben elkaar van kindsbeen af
gekend, en ik heb haar altijd tegen de liefde gewaarschuwd,—en haar wel
duizendmaal gezegd dat het allemaal onzin en boosheid was. En de sluwe
heks gaf voor, naar mij te luisteren en alle verleiding des vleesches
te verachten; maar toch is zij eindelijk uit een venster ontsnapt, twee
verdiepingen hoog; want ik begon haar te verdenken in den laatsten
tijd, en sloot haar voorzigtig op, met het voornemen om haar den
volgenden morgen naar mijn zin uit te huwelijken. En zij fopte me in
slechts weinige uren, en ontsnapte naar den minnaar, dien zij zelve
gekozen had, die ook geen tijd verspilde; want zij waren getrouwd en
lagen zamen te bed binnen het uur. Maar dat zal het treurigste uur voor
hen zijn, dat zij ooit gesleten hebben; want, voor mijn part mogen zij
verhongeren, bedelen of stelen! Ik zal geen van beide ooit een duit
geven!”
Hier sprong Jones op en riep: „Gij moet het mij waarlijk niet kwalijk
nemen;—ik wilde nu alleen blijven.”
„Kom, kom, vriend!” zei de Kwaker; „geef niet toe aan uwe
neerslagtigheid. Gij ziet dat gij niet de eenige ongelukkige zijt.”
„Ik zie dat er waanzinnigen, dwazen en schurken in de wereld zijn,”
riep Jones. „Maar laat mij u een goeden raad geven. Zend om uwe dochter
en uw schoonzoon, en maak niet zelf diegene ongelukkig, die gij
voorgeeft lief te hebben!”
„Om haar en haar man zenden!” riep de Kwaker. „Ik zou liever zenden om
de twee ergste vijanden die ik in de wereld heb!”
„Nu, ga dan maar zelf naar huis,—of waarheen u goed dunkt,” antwoordde
Jones; „want ik verkies niet meer in zulk gezelschap te blijven!”
„Zoo vriend!” hernam de Kwaker, „en ik verkies niet mijn gezelschap aan
wien ook op te dringen!”
Hij wilde nu de beurs te voorschijn halen; maar Jones dreef hem met
eenig geweld de kamer uit.
Door het onderwerp waarover de Kwaker gesproken had, was Jones zoodanig
ontroerd geweest, dat hij onder het gesprek steeds met woeste blikken
rondgekeken had. Dit had de Kwaker opgemerkt, en gevoegd bij zijn
overigens vreemd gedrag, had het den braven man met het denkbeeld
bezield dat zijn makker werkelijk niet bij zijn verstand was. In plaats
dus van de beleediging te wreken, gevoelde zich de Kwaker met
medelijden vervuld voor den ongelukkige en, na zijne overtuiging aan
den waard medegedeeld te hebben, verzocht hij hem voor zijn gast zorg
te dragen en hem met de meeste beleefdheid te behandelen.
„Beleefdheid!” riep de waard, „neen! die denk ik niet veel jegens hem
te gebruiken! Het schijnt, in weerwil van zijn mooije kleêren, dat hij
niet meer een heer is dan ik zelf, en niets anders dan een arme
bastaard uit het dorp, die opgevoed werd bij een grooten mijnheer, zoo
wat een uur of tien van hier, en die nu de deur uitgezet is,—zeker niet
om het goed dat hij gedaan heeft!—en ik zal hem zoodra mogelijk hier
het huis uit zien te krijgen! Als ik zijne vertering verlies, zal ik
blij zijn dat ik er zoo goedkoop afkom! Een jaar geleden ben ik een
zilveren lepel kwijt geraakt!”
„Wat zegt gij? Een arme bastaard?” hernam de Kwaker. „Gij vergist u
zeker in den persoon.”
„Volstrekt niet,” hernam de waard. „De gids die hem zeer goed kent,
heeft het me verteld.”
En, inderdaad, naauwelijks was de gids in de keuken bij het vuur
gezeten, of hij maakte het heele gezelschap bekend met al wat hij wist
van Jones, of ooit van hem gehoord had.
Zoodra dus de Kwaker door dezen kerel ingelicht was omtrent de geboorte
en het lot van Jones, verdween al het medelijden dat hij met hem
gevoeld had en hij ging naar huis, even verontwaardigd als een hertog,
die van zulk een wezen eene beleediging ondergaan had.
De waard zelf gevoelde niet minder verachting voor zijn gast, zoodat
toen Jones schelde en naar eene slaapkamer vroeg, hem gezegd werd, dat
hij er geene krijgen kon. Behalve de minachting, koesterde de waard
Robert ook levendige verdenkingen omtrent de voornemens van zijn gast,
die, naar hij veronderstelde, slechts op eene gunstige gelegenheid
loerde om het huis te bestelen. Hij had echter op dit punt gerust
kunnen wezen na de voorzorgen zijner vrouw en dochter, die reeds alles
medegepakt hadden wat draagbaar was; maar hij was achterdochtig van
aard, en was dit te meer geworden sedert het verlies van zijn lepel.
Met één woord, de vrees van bestolen te worden, deed hem de prettige
troostreden vergeten,—dat hij niets bezat dat men stelen kon.
Jones vernomen hebbende, dat hij geen bed kon krijgen, strekte zich
zeer tevreden uit op eene groote rustbank, op wat stroo, waar de slaap,
die in betere omstandigheden hem in den laatsten tijd steeds ontweken
was, hem op zijne nederige rustplaats een edelmoedig bezoek bragt.
Wat den waard betreft, de angst hield hem van den slaap terug. Hij
keerde dus naar het keukenvuur terug, van waar hij een oog kon houden
op de eenige deur, die toegang verschafte tot de kamer, of liever, tot
het hok, waar Jones zich bevond; en wat het venster in dat vertrek
aangaat, het was onmogelijk voor eenig wezen, grooter dan eene kat, om
daaruit te ontsnappen.