HET GEDRAG VAN SOPHIA BIJ DEZE GELEGENHEID, DAT DOOR GEENE VROUW
BERISPT ZAL WORDEN, DIE TOT EENE DERGELIJKE HOUDING IN STAAT IS. HET
BEPLEITEN VAN EEN MOEIJELIJK PUNT VOOR DE REGTBANK VAN HET GEWETEN.
Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer
benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd
zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid,
haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar
de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar
de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar
ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld
vooruit te komen.
Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare
welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.
Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen
van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten,
die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon
doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon
vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er
nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.
Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en
ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:
„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar
blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf,
met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem
getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als
zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.
Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de
kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe
te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde,
behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden
was.
Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat
zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd
zij weder naar hare gevangenis gebragt.
’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van
den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend
over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van
tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van
hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar
de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen
antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en
riep:
„O Honour, ik ben ongelukkig!”
„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief
verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u
genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem
meêgenomen had!”
„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs
zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn
hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”
„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de
dienaresse.
„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia.
„Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen
doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij
zoo iets kunnen schrijven?”
„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als
de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik
hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te
veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die
onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik
het wagen mogt mijn gevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil,
die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste
heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten
minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong
mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één
woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden
achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem
vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen
ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen dat ik
hem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders
heeft, mij zulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een
goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het
land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer
Blifil,—”
„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.
„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn
er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij
maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge
heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen,
die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen
wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou
komen.”
„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het
waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”
„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van
geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een
armoedigen ellendigen, bastaard!”
„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te
noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm,
bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik
toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid!
Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik
had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn!
Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij
ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”
„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking
neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde
rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur
uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”
„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”
„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe
de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder
een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur
uitgezet!”
„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel
verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder
middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen
van mijne vingers;—hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en
zoek hem op!”
„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als
mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal
roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren.
Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar
behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”
„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem
dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te
verliezen!”
Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden
in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes
bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was
ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.
De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar,
onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te
houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem
zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde
zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden,
toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde.
Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het
bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te
gevoelen over zulk eene kleinigheid.”
Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te
toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval,
waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote
geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De
hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat
denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle
aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond,
waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten
zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter
hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het
verschil in deze twee gevallen niet bestond tusschen de verschillende
trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van
veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling
niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot
gevaar liep van ontdekt te worden.
Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het
hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te
hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te
overhandigen.