HOOFDSTUK XIII.

HET GEDRAG VAN SOPHIA BIJ DEZE GELEGENHEID, DAT DOOR GEENE VROUW

BERISPT ZAL WORDEN, DIE TOT EENE DERGELIJKE HOUDING IN STAAT IS. HET

BEPLEITEN VAN EEN MOEIJELIJK PUNT VOOR DE REGTBANK VAN HET GEWETEN.

Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer

benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd

zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid,

haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar

de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar

de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar

ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld

vooruit te komen.

Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare

welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.

Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen

van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten,

die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon

doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon

vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er

nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.

Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en

ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit:

„O, gij zijt nog veilig te huis—en ik zal zorg dragen dat gij daar

blijft!” waarop hij de deur digt sloot en den sleutel aan Honour gaf,

met de strengste bevelen en vele beloften van belooning als zij hem

getrouw bleef, en met de verschrikkelijkste bedreigingen van straf als

zij misbruik maakte van zijn vertrouwen.

Honour kreeg last om hare jonge dame, zonder verlof van haar vader, de

kamer niet uit te laten, en niemand dan hem en hare tante bij haar toe

te laten; zij zelve moest Sophia voorzien van al wat zij verlangde,

behalve schrijfbehoeften, welker gebruik haar ten eenenmale verboden

was.

Western beval zijne dochter zich te kleeden en aan tafel te komen, wat

zij ook deed en na den gewonen tijd daar doorgebragt te hebben, werd

zij weder naar hare gevangenis gebragt.

’s Avonds bragt hare bewaakster, Honour, haar den brief welken zij van

den jager gekregen had. Sophia las hem een paar maal zeer oplettend

over, wierp zich toen op het bed en barstte uit in een vloed van

tranen. Jufvrouw Honour drukte groote verbazing uit over dit gedrag van

hare meesteresse en kon niet nalaten zeer belangstellend te vragen naar

de aanleiding tot deze vlaag. Sophia gaf haar een tijdlang geen

antwoord en dan plotseling opspringende, greep zij haar bij de hand en

riep:

„O Honour, ik ben ongelukkig!”

„Dat verhoede de Hemel!” riep Honour. „Ik woû maar dat die brief

verbrand was eer hij u in handen kwam! Ik dacht zeker dat hij u

genoegen zou doen, of de drommel zou hem gehaald hebben eer ik hem

meêgenomen had!”

„Ge zijt een goed meisje, Honour,” zei Sophia, „en het zou te vergeefs

zijn als ik mijne zwakheid langer voor u verbergen wilde. Ik heb mijn

hart weggeworpen aan een man, die mij verlaten heeft!”

„En is mijnheer Jones zulk een verraderlijk mensch?” vroeg de

dienaresse.

„Hij neemt voor altijd afscheid van mij in dezen brief,” hernam Sophia.

„Ja, hij vergt zelfs van me dat ik hem vergeten zou. Had hij dit kunnen

doen als hij mij lief had? Had hij aan zoo iets kunnen denken? Had hij

zoo iets kunnen schrijven?”

„Neen, zeker niet, jufvrouw!” riep Honour. „Maar zooveel is zeker: als

de beste man in geheel Engeland mij vroeg om hem te vergeten, zou ik

hem bij zijn woord nemen! Heere mijn tijd! De jufvrouw heeft hem al te

veel eer bewezen, met ooit aan hem te denken. Eene jonge dame, die

onder alle jonge lieden in het graafschap kiezen kon!—En zeker, als ik

het wagen mogt mijn gevoelen te zeggen, daar is de jonge heer Blifil,

die, behalve dat hij van eerlijke afkomst is, en eens een der grootste

heeren in den omtrek zal zijn,—naar mijn bescheiden oordeel ten

minste,—nog eens zoo mooi en beschaafd is, en bovendien is hij een jong

mensch van geregelden aard, en van wien geen mensch ter wereld één

woord kwaad kan spreken;—hij loopt geene smerige meiden

achterna;—niemand kan zeggen, dat hij de vader is van haar kind!—Hem

vergeten inderdaad! Ik dank den Hemel, dat ik niet zoo diep gevallen

ben, dat iemand het regt zou hebben tweemaal tot mij te zeggen dat ik

hem vergeten moest! Als de beste man die een hoofd op de schouders

heeft, mij zulk eene beleediging aandeed, zou ik hem nooit daarna een

goed woord geven,—zoo lang er nog één jong mensch, behalve hij, in het

land te vinden was! En zoo als ik zeide, daar is de jonge heer

Blifil,—”

„Noem dien gehaten naam niet!” riep Sophia.

„O jufvrouw,” zei Honour, „als de jufvrouw niet van hem houdt, dan zijn

er knappe jongens genoeg die u het hof zouden willen maken, als zij

maar de minste aanmoediging kregen! Ik geloof niet dat er één jonge

heer in het heele graafschap is, of in al de omliggende graafschappen,

die als hij maar dacht dat de jufvrouw een goed oog op hem werpen

wilde, niet dadelijk met een aanbod van zijne hand voor den dag zou

komen.”

„Voor welk ellendig wezen houdt ge mij,” vroeg Sophia, „dat ge het

waagt mij met zulken onzin te beleedigen? Ik haat alle mannen!”

„Ja, dat is waar,” hernam Honour; „de jufvrouw heeft er genoeg van

geleden, om daarvan te walgen! Zoo mishandeld te worden door zulk een

armoedigen ellendigen, bastaard!”

„Zwijg met uwe heiligschennis!” riep Sophia; „hoe durft gij hem te

noemen zonder eerbied? Hij mij slecht behandelen! Neen, zijn arm,

bloedend hart leed meer toen hij die wreede woorden nederschreef dan ik

toen ik ze las. O, hij is een held, en een engel van deugd en goedheid!

Ik schaam me over mijne eigene zwakheid, dat ik datgene berispte wat ik

had moeten bewonderen!—O, Honour, hij denkt alleen aan mijn welzijn!

Aan mijne belangen offert hij zich zelven en mij op!—De vrees van mij

ongelukkig te maken, heeft hem tot wanhoop gebragt!”

„Het doet me heel veel genoegen te hooren dat gij dat in aanmerking

neemt, jufvrouw,” zei Honour, „want het is waar, het zou u te gronde

rigten als ge uwe zinnen wildet vestigen op iemand, die de deur

uitgezet is en geen duit ter wereld bezit.”

„De deur uitgezet!” riep Sophia driftig. „Wat bedoelt gij?”

„Wel jufvrouw, zoodra mijnheer aan den heer Allworthy verteld had, hoe

de heer Jones het gewaagd had u het hof te maken, heeft hij hem, zonder

een hemd aan het lijf, naakt als hij ter wereld kwam, de deur

uitgezet!”

„O,” zuchtte Sophia, „dan ben ik de rampzalige, door den Hemel

verzaakte oorzaak zijner rampen!—De deur uitgezet, zonder

middelen!—Hier, Honour, neem al het geld dat ik bezit;—neem de ringen

van mijne vingers;—hier, mijn horologie ook! Breng hem alles! Vlieg, en

zoek hem op!”

„In vredes naam, jufvrouw,” hernam Honour, „bedenk maar dat als

mijnheer een van al deze dingen mist, hij mij ter verantwoording zal

roepen! Laat me u dus smeeken, uw horologie en uwe juweelen te bewaren.

Bovendien, dunkt me, is er al geld genoeg, en wat dat betreft, daar

behoeft mijnheer nooit iets van te weten.”

„Daar dan,” riep Sophia, „neem elken stuiver dien ik bezit; zoek hem

dadelijk op en geef hem het geld! Ga, ga—zonder één oogenblik te

verliezen!”

Met deze bevelen vertrok jufvrouw Honour en den Zwarten George beneden

in huis vindende, gaf zij hem de beurs over, die zestien guinjes

bevatte, Sophia’s geheelen schat; want hoewel haar vader zeer mild was

ten haren opzigte, was zij veel te liefdadig om rijk te zijn.

De Zwarte George, met de beurs op zak, vertrok naar de herberg, maar,

onderweg, kwam de gedachte bij hem op, om ook dit geld voor zich te

houden. Zijn geweten echter schrikte bij deze ingeving, en begon hem

zijne ondankbaarheid jegens zijn weldoener te wijten. Hierop antwoordde

zijne hebzucht: „Dat zijn geweten vroeger had moeten wakker worden,

toen hij den armen Jones van zijn vijfhonderd pond sterling beroofde.

Dat eenmaal berust hebbende in eene zaak van groot belang, het

bespottelijk, zoo niet huichelachtig was, om eenige bezwaren te

gevoelen over zulk eene kleinigheid.”

Waarop het geweten, als een goed advokaat, het verschil trachtte aan te

toonen tusschen een bepaald misbruik van vertrouwen, als in dit geval,

waar de waarden werkelijk hem in handen gegeven werden, en eene bloote

geheimhouding van hetgeen gevonden was, als in het eerste geval. De

hebzucht spotte weldra hierover, noemde het een onderscheid dat

denkbeeldig was, en stond er bepaaldelijk op, dat als men eens alle

aanspraken op eer en deugd liet varen, er geen antecedent bestond,

waarom men ze later weder huldigen zou. Met een woord, het arme geweten

zou zeker het onderspit gedolven hebben, zoo de vrees het niet ter

hulpe gekomen ware, en zeer sterk er op aangedrongen had, dat het

verschil in deze twee gevallen niet bestond tusschen de verschillende

trappen van eerlijkheid, maar wel tusschen de twee graden van

veiligheid; want dat het verbergen van de vijfhonderd pond sterling

niet gewaagd was, terwijl het verduisteren van de zestien guinjes groot

gevaar liep van ontdekt te worden.

Door de vriendelijke hulp der vrees zegevierde dus het geweten in het

hart van den Zwarten George, en na hem eenige complimenten gemaakt te

hebben over zijne eerlijkheid, noopte het hem het geld aan Jones te

overhandigen.

Tom Jones · 第 103 / 340 题