BEVATTENDE MINNEBRIEVEN ENZ.

Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem

gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem toebehoorde, waarheen hij

ook verkoos, hem nagezonden zou worden.

Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of

inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden

rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp

hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige

verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze

rustplaats gunnen!”

Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar

uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin

woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.

Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij

eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte

zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd

om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in

zijn treurigen toestand nemen moest.

Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia

doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het

hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen,

pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige

liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte

kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem

met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn,

welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij

hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare

onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in

den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het

eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn

weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt

overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar

tot haar ongeluk te vervolgen.

Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den

zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij

het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.

De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen

gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem

spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner

overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer

gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten

koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu,

vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.

Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij

genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij

zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus

naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en

als volgt, schreef:

„Mejufvrouw,

Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik

overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare

tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik

u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is,

dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.

„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw

dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die

bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van

mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt,

noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een

ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.

„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet

spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen

zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u

gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u

doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot

verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb,

bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.

„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te

moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt

mij tot beide.

„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één

oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle

wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen

heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik

u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die

nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te

zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”

Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te

vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets

in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en

onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy

ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het

eerst inviel.

Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief

digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek

terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg

ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk

deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds

bekend was.

Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem

gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar

waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar

te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te

onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden

Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij

gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen

gebruik bewaard had.

Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar

het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht

hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was;

„want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren

hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat

iemand hier voorbij zou komen.”

Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen

was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden

morgen een poelier te Bath voorzien moest.

Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna

alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg

hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?

George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me

beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte

hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”

Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het

verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den

heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene

kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn

angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat

hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er

weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou

bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de

meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.

George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij

ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar

vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te

gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken

Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna

wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.

De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich

verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende

dien open te breken, het volgende las:

„Mijnheer,

Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik

u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen

van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting

op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik

u hem, om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen

troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate

van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan

iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”

Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn

hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij

had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we

hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik

had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den

heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en

zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij

rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch

verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een

weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een

gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam

afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad,

ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht

had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken

na te zenden.

Tom Jones · 第 102 / 340 题