EEN KORT HOOFDSTUK, BEVATTENDE EEN KORT GESPREK TUSSCHEN DEN HEER
WESTERN EN ZIJNE ZUSTER.
Mejufvrouw Western was dien heelen dag uit geweest. De landjonker
ontmoette haar bij hare tehuiskomst en toen zij naar Sophia vroeg,
vertelde hij haar dat hij haar veilig bezorgd had.
„Zij is op hare kamer opgesloten,” riep hij, „en Honour heeft den
sleutel in bewaring.”
Daar hij de meeste wijsheid en schranderheid in zijne blikken toonde
toen hij zijne zuster dit meldde, is het waarschijnlijk dat hij grooten
lof dacht in te oogsten voor hetgeen hij gedaan had; maar, hoe werd hij
niet teleurgesteld, toen zij met minachting uitriep:
„Wel, broeder! Gij zijt zeker de zwakste der stervelingen! Waarom moet
gij tusschenbeide komen? Gij hebt alles verijdeld, dat ik me nu
vergeefsche moeite gegeven heb gedaan te krijgen! Terwijl ik gestreefd
heb haar de echte voorzigtigheid te leeren, tergt gij haar om die te
verwaarloozen! De Engelsche vrouwen zijn, Goddank, geene slavinnen! Wij
laten ons niet opsluiten als Spaansche en Italiaansche echtgenooten.
Wij laten ons alleen door rede en overtuiging leiden en niet door
geweld beheerschen. Ik heb de wereld gezien, broeder, en weet welke
bewijsgronden men gebruiken moet; en als gij, met uwe dwaasheid, mij
niet belet hadt, zou ik haar overgehaald hebben haar gedrag te regelen
volgens die voorschriften der voorzigtigheid en wijsheid, welke ik haar
vroeger ingeprent heb.”
„O ja!” riep de landjonker; „ik moet natuurlijk altijd ongelijk
hebben!”
„Broeder,” hernam de dame, „ge hebt alleen ongelijk als gij u bemoeit
met dingen die uwe kennis te boven gaan. Ge moet bekennen, dat ik meer
van de wereld weet dan gij, en het zou gelukkig voor mijne nicht
geweest zijn als zij nooit aan mijne leiding onttrokken ware geweest.
Het is door te huis te blijven, bij u, dat zij romantische begrippen
van liefde en allerlei gekheid opgedaan heeft.”
„Gij verbeeldt u toch niet, hoop ik,” riep de landjonker, „dat zij iets
van dien aard van mij geleerd heeft?”
„Broeder,” hernam zij, „uwe onwetendheid, zooals de groote Milton zegt,
gaat mijn geduld bijna te boven.”
„De drommel hale Milton!” riep Western. „Als hij de onbeschoftheid had
mij zoo iets in het gezigt te zeggen, zou ik hem een klap om de ooren
geven, hoe groot een man hij ook zij! Geduld! Als gij daarvan praat,
zuster, ik heb meer geduld noodig dan gij, om mij zoo als een groote
schooljongen te laten behandelen! Gelooft ge dat een mensch die niet
aan ’t hof geweest is, zijn verstand niet heeft? Wel ja! De wereld is
er waarlijk naar aan toe, als wij allen dwazen zijn, behalve de
rondhoofden en de Hannoverschgezinden! De drommel! Ik hoop dat de tijd
spoedig daar zal zijn waarop wij dat heele boeltje met een langen neus
zullen laten loopen en ieder het zijne zal hebben! Ja, zuster, dat
ieder het zijne zal krijgen! Dat hoop ik te beleven, zuster, eer die
Hannoversche rotten al ons graan opgevreten hebben en ons niets dan
knollen overlaten om er van te eten!”
„Ik moet verklaren, broeder,” riep zij, „dat gij nu te hoog vliegt voor
mij. Al wat gij door elkaar praat van Hannoversche rotten en knollen is
volmaakt onverstaanbaar voor mij.”
„Ik wil wel gelooven,” zeide hij, „dat gij er niet gaarne van hoort
spreken:—maar in weerwil daarvan, zal misschien het land toch gered
worden.”
„Ik wilde liever,” hernam de dame, „dat gij aan de redding uwer dochter
dacht; want geloof me, zij loopt grooter gevaar dan het vaderland!”
„Straks,” hernam hij, „waart gij boos omdat ik aan haar dacht, en
wildet hebben dat ik haar aan u overliet.”
„En als gij beloven wilt,” hernam zij, „om niet meer tusschenbeide te
komen, zal ik, uit liefde tot mijne nicht, haar onder mijne hoede
nemen.”
„Nu, dat zij zoo! Ga uw gang maar!” antwoordde de landjonker; „ge weet
wel, dat ik altijd van gevoelen was, dat de vrouwen elkaar best in orde
weten te houden.”
Mejufvrouw Western verwijderde zich nu, iets minachtends voor zich heen
mompelende over de vrouwen en over het bestuur van het vaderland. Zij
begaf zich onmiddellijk na Sophia’s kamer, die nu, na een dag
gevangenschap, weder in vrijheid gesteld werd.