HOOFDSTUK VI.

BEVATTENDE EEN GESPREK TUSSCHEN SOPHIA EN JUFVROUW HONOUR, HETWELK

MISSCHIEN WAT VAN DIE AANDOENING ZAL VERZACHTEN, WAARMEDE DE

GOEDAARDIGE LEZER HET VOORAFGAANDE TOONEEL BIJGEWOOND HEEFT.

Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen

had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw

Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd

tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige

tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij

in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen

langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare

eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:

„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”

„Niets,” hernam Sophia.

„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als

ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is

tusschen u en mejufvrouw Western!”

„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”

„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw,

dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet,

jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil

zou hebben in uwe dienst!”

„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij

te doen. Ik ben reddeloos verloren!”

„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar, als ik niets voor u

doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er

gebeurd is.”

„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!”

riep Sophia.

„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want

hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”

„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult

hem vroeg genoeg hooren noemen!”

Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te

veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet

me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad

van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen

vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En,

mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van

dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als

ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker

beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet

vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”

„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles

besloten eer hij mij er iets van zeide.”

„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het

die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer

knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te

vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven

handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene

zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne

hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts

eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer

aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n

groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die

haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat

zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, het

mij niet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat

doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor twee,—en aan

wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want

iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in

het heele graafschap!”

„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een

zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”

„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,”

hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen

zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar

gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem

hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen

is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den

heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat

ik moeite had om niet te weenen.”

„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”

„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.

„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.

„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen

morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond

neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne

bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem

opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de

aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”

„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge

kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is.

Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u

voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik

zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”

Honour deed onmiddellijk wat haar bevolen werd, en Sophia zette den

hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het

lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier

dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour

herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar

naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest

komen, en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging

zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo

snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar

het kanaal toe.

Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad

twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne

Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het

oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige

minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet

hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige

gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de

zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke

recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen

om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het

regt hebben eenige aanmerking te maken.

Tom Jones · 第 92 / 340 题