HOOFDSTUK VII.

HET BEELD EENER DEFTIGE VRIJAADJE IN MINIATUUR, ZOO ALS DAT BEHOORT, EN

EEN TOONEEL VAN MEER TEEDEREN AARD LEVENSGROOT GESCHILDERD.

Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen)

opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu

in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den

man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling

moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van

iemand te ontvangen, dien zij haatte.

Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne

dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij

wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.

Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen

in hare oogen opwelden.

„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet

alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”

„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”

„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u

zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk,

dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet

eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je

uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best

dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij

in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een

fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren.

Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”

Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij

besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid

door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.

Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde

zich spoedig en liet het jonge paar alleen.

Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de

heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke

zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk

beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze

uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van

vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord

werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en

daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen,

en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene

toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een

tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer

verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en

troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap

zou genieten.

Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij

meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van

het hart zijner beminde, dat door meer romantische minnaren geëischt

wordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.

Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner

wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit

te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld

was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was,

en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus

ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden

welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij

eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij

was.

Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb

dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij

zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge

de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel

Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier

zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in

slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij

zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een

tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich

Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn

verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde

volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat

betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als

Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en

geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had

wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor

hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn

hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze

gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de

heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones

omtrent Molly.

Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met

Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich gedragen had zoo als alle

jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was

volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.

De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op

te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo

verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem

ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door

vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want

het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te

beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de

dolzinnigste uitersten.

Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western

ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn

dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner

verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar

verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen

ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken.

Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde,

overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne

eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.

Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder

bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van

teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal

iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere

gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot

te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer

goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene

verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne

goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik

bij:

„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk

zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus

bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende,

smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en

pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te

maken, door haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik

smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om

mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk

van het mijne afhangt.”

„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.

„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer

arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met

mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit

huwelijk dwong!”

„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.

„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.

„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich

afstootende.

„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden

met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede

woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk

een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart

willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen

doemen?”

„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren!

Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”

„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij

is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”

„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem

toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier

herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te

zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in

toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van

honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat

is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te

denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij

met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij

uit de kamer stoof.

Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag

hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn vriend was, niet nalaten kon te

vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte

Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met

vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer

aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk

hebben met dochters opgescheept te zijn.

Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver

geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit

verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe,

gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een

voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker

niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde

haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.

Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk

stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij

bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:

„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan

kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken

betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur

uitzetten zoude.

Tom Jones · 第 93 / 340 题