HET BEELD EENER DEFTIGE VRIJAADJE IN MINIATUUR, ZOO ALS DAT BEHOORT, EN
EEN TOONEEL VAN MEER TEEDEREN AARD LEVENSGROOT GESCHILDERD.
Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen)
opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu
in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den
man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling
moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van
iemand te ontvangen, dien zij haatte.
Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne
dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij
wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.
Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen
in hare oogen opwelden.
„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet
alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”
„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”
„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u
zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk,
dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet
eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je
uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best
dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij
in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een
fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren.
Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”
Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij
besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid
door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.
Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde
zich spoedig en liet het jonge paar alleen.
Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de
heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke
zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk
beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze
uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van
vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord
werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en
daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen,
en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene
toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een
tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer
verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en
troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap
zou genieten.
Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij
meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van
het hart zijner beminde, dat door meer romantische minnaren geëischt
wordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.
Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner
wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit
te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld
was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was,
en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus
ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden
welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij
eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij
was.
Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb
dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij
zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge
de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel
Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier
zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in
slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij
zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een
tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich
Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn
verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde
volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat
betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als
Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en
geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had
wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor
hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn
hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze
gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de
heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones
omtrent Molly.
Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met
Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich gedragen had zoo als alle
jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was
volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.
De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op
te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo
verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem
ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door
vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want
het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te
beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de
dolzinnigste uitersten.
Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western
ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn
dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner
verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar
verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen
ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken.
Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde,
overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne
eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.
Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder
bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van
teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal
iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere
gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot
te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer
goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene
verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne
goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik
bij:
„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk
zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus
bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende,
smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en
pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te
maken, door haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik
smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om
mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk
van het mijne afhangt.”
„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.
„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer
arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met
mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit
huwelijk dwong!”
„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.
„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.
„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich
afstootende.
„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden
met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede
woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk
een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart
willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen
doemen?”
„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren!
Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”
„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij
is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”
„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem
toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier
herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te
zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in
toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van
honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat
is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te
denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij
met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij
uit de kamer stoof.
Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag
hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn vriend was, niet nalaten kon te
vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte
Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met
vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer
aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk
hebben met dochters opgescheept te zijn.
Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver
geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit
verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe,
gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een
voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker
niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde
haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.
Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk
stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij
bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:
„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan
kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken
betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur
uitzetten zoude.