Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad.
Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo
overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat
dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?
„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of
dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame
uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer
aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”
Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het
dadelijk weder neder, met de woorden:
„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat
niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen;
want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in
is.”
„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters,
tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te
zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al
menige traan gekost heeft.”
„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.
„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd
gaarne eene traan voor zoo iets over.”
„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen
kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost,
mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig
huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te
houden.”
„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te
bekennen,” hernam Sophia.
„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in
uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen
ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen
enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als
al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer
brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen,
dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep
van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil
gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten
misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene
genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is
eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er
toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe
wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd willen
ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere
vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van
ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem
het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”
„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in
haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar,
hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”
„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat
gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo
als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar,
dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed
die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die
iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende.
Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”
„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht!
’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is,
alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar
is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als
ik?”
„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren,
en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde
ontvangen zult.”
„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.
„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de
onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging,
welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in
zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het
dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet,
kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend
maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren;
Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste
vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit
zetten!”
„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”
„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me
niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste
jongen!”
„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem
evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig;
zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk!
Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij
zulke gaven bezit!”
„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De
afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”
Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw
waarop, hare tante uitriep:
„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan
gepraat?”
„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik
dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand
ken, die verdient—”
„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de
heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”
„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn?
Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”
Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van
drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende,
bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:
„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met
een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke
besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om
zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u
beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo
verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij
zoo iets zonder omwegen te bekennen!”
„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt ge me afgeperst.
Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer
Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu
niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u
goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling
gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf,
waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”
Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van
tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden,
leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.
Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare
tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.
„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het
graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een
dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het
beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren
bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de
eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte
koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer
vrouwen!”
Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar
adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat
zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.
Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte
zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had,
terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets
ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.
Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht
te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim
voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou
dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen,
daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”
De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om haar wat ook te
kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat
zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude
zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte
drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met
den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen
om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”
Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er
niets was dat het kon of mogt afbreken.”
„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene
onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige
bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo
zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest
wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen
oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”
Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de
goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den
tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer
gevoel, te overwinnen.”
De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te
laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart
bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe
liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene
slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk
leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen,
Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer
liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen
uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want
als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man
aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene
betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een
huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”
Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter
haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te
ontvangen, en zoo beleefd jegens hem te zijn als zij over zich kon
verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante
beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk,
eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen
verraden.