HOOFDSTUK XI.

WAARIN, IN EEN LANGEN VOLZIN, NAAR DEN SMAAK VAN DEN HEER POPE, EEN

BEELD DE BESCHRIJVING VOORAF GAAT VAN EEN DER BLOEDIGSTE GEVECHTEN, DIE

GELEVERD KUNNEN WORDEN ZONDER HET GEBRUIK VAN BLANKE WAPENEN.

Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte

liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch

van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel

vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat

zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone

hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid

of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd

heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de

onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet

bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering

van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van Virgilius,

(die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):

„—Procul, o procul este, profani,

Proclamat vates, totoque absistite luco!”

„Wijkt ver van hier, oningewijden,”

Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”

Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het

hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aan genus omne

animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het

hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en

ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne

beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den

vijand tot den strijd uitdagende.

Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de

vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende

hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.

Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten

te hebben, begon te donderen:

„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”

„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”

„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”

„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook

mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”

„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u,

jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge

gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van

het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen

leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere

betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me

nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen

van alles leerde.”

„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij

kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te

gebruiken.”

„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast

voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”

„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „dat dat nu niet

gebeuren zal!”

Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen

terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende,

„dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien

beleedigen!”

Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich

zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde

zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte

hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak

zijnde, hem onmiddellijk ter aarde velde.

Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij

zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder

te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was

slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil

verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.

De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en

had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst

met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele

jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was

even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig.

Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben,

eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter

aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door

iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was

gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts

verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot

verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu

van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den

rug aangevallen had.

Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste

onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij

ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst

van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones

behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met

twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene

holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen,

die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te

beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk,

na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst

teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer

twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was,

het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den

geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te

scheppen.

Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die

kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig

was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog

liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den

laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog

kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo

te spelen.

De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was

op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen,

toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke

rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet,

ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”

De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste

hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde,

de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn

nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western

zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend

was.

Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne

namiddagwandeling met eenige vrienden, de plek voorbij kwam, waar het

bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij

drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten

zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer

dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze

edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones het

slagtoffer van Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best

tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om

veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte

echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn

bondgenoot.

Tom Jones · 第 80 / 340 题