WAARIN, IN EEN LANGEN VOLZIN, NAAR DEN SMAAK VAN DEN HEER POPE, EEN
BEELD DE BESCHRIJVING VOORAF GAAT VAN EEN DER BLOEDIGSTE GEVECHTEN, DIE
GELEVERD KUNNEN WORDEN ZONDER HET GEBRUIK VAN BLANKE WAPENEN.
Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte
liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch
van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel
vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat
zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone
hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid
of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd
heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de
onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet
bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering
van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van Virgilius,
(die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):
„—Procul, o procul este, profani,
Proclamat vates, totoque absistite luco!”
„Wijkt ver van hier, oningewijden,”
Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”
Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het
hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aan genus omne
animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het
hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en
ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne
beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den
vijand tot den strijd uitdagende.
Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de
vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende
hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.
Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten
te hebben, begon te donderen:
„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”
„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”
„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”
„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook
mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”
„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u,
jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge
gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van
het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen
leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere
betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me
nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen
van alles leerde.”
„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij
kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te
gebruiken.”
„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast
voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”
„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „dat dat nu niet
gebeuren zal!”
Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen
terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende,
„dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien
beleedigen!”
Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich
zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde
zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte
hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak
zijnde, hem onmiddellijk ter aarde velde.
Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij
zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder
te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was
slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil
verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.
De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en
had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst
met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele
jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was
even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig.
Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben,
eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter
aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door
iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was
gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts
verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot
verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu
van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den
rug aangevallen had.
Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste
onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij
ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst
van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones
behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met
twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene
holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen,
die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te
beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk,
na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst
teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer
twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was,
het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den
geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te
scheppen.
Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die
kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig
was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog
liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den
laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog
kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo
te spelen.
De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was
op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen,
toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke
rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet,
ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”
De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste
hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde,
de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn
nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western
zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend
was.
Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne
namiddagwandeling met eenige vrienden, de plek voorbij kwam, waar het
bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij
drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten
zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer
dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze
edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones het
slagtoffer van Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best
tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om
veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte
echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn
bondgenoot.