WAARIN EEN VEEL AANDOENLIJKER TOONEEL GEZIEN WORDT, DAN HET VERGIETEN
VAN AL HET BLOED IN HET LIGCHAAM VAN THWACKUM, OF BLIFIL, OF TWINTIG
DERGELIJKE MENSCHEN, KAN OPLEVEREN.
Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het
oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden
dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet
hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de
schoone Sophia zelve.
Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek,
doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne
nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk
zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer
Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus,
zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte,
die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke
wijze den overwonnen vijand sparende.
Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het
hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van
mejufvrouw Western, die een reukfleschje met vlugzout uit den zak
gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de
oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen
Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van
dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om
ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.
Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos
voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke
Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar
vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand
haar ter hulp kon komen.
Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde.
Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de
jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei
middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde
oogenblik.
De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje
spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel
vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in
gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje
bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van
Arkadië besproeit.
Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te
vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden,
„jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.
Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en
terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en
water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en
liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het
watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals
ruimschoots te besprenkelen.
Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden
belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij
was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen
wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van
de beek bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en
riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en
de predikant naderden.
Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet
haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken,
wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware
geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid
welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op
dat oogenblik nog half bewusteloos was.
Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En
hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij
waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van
Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich
gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette,
volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones
overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na
zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de
armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er
niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven
wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden
uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.
Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige
voorwerp van Western’s oplettendheid.
„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt
eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u
eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone
kleeren voor u te vinden!”
Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het
water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even
bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde,
kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en
zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia
ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk
teederen blik.
Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de
slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking
van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al
de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer
van gevoeld zou hebben.
Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het
Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.
Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten
alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de
wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien
heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in
geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de
oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er
zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die
sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als
toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het
slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik
konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het
tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar
verkiezing, aftrekken.
Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit
onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote
staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even
goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels,
bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en
vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van
steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen
voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen
hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere
ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in
aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden
zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men
zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder
te wenschen dan te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk
vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.
Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist,
waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam
knorrig:
„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het
plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”
„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”
„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum;
„hij kan u het best inlichten.”
„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom!
Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en
vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”
„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid
niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen
te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en
trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen
straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste
schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het
land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”
„Ik zou even gaarne de vossen uitroeijen!” riep Western. „Ik geloof
eerder dat wij elk middel moesten aanprijzen om die getallen aan te
vullen, die wij dagelijks in den loop van den oorlog verliezen. Maar,
zeg eens, waar is zij gebleven? Kom, Tom, laat ze zien!” En hij begon
in de struiken te drijven, met dezelfde uitroepingen en woorden, alsof
hij naar een haas zocht, en riep eindelijk: „Zie zoo! Ze is niet ver
van hier! Op mijn woord! Hier heeft ze gelegen! Zij is al op den loop!”
En daarin had hij gelijk; want hij had nu de plek ontdekt, van waar het
arme meisje bij het begin van den strijd op handen en voeten
weggeslopen was.
Sophia verzocht nu haren vader naar huis terug te keeren, daar zij zich
zeer onwel gevoelde en weer eene flaauwte vreesde. Western stemde
dadelijk in het verzoek zijner dochter toe,—want hij was de
liefderijkste vader ter wereld,—en smeekte alle aanwezigen ernstig om
ook mede te gaan; maar Blifil en Thwackum volhardden bij hunne
weigering; terwijl de eerste zeide, dat er meer redenen bestonden dan
hij nu wel aanvoeren kon, om hem te beletten van die eer te genieten,
en de andere verklaarde,—misschien niet ten onregte,—dat het niet
gepast was voor iemand uit zijn stand, zich zoo toegetakeld als hij
was, ergens te laten zien.
Jones had de kracht niet om het genoegen af te slaan van het bijzijn
zijner Sophia te genieten. Dus trok hij op met Western en de dames,
terwijl de predikant de achterhoede vormde. Deze had wel is waar
aangeboden om zijn collega Thwackum te vergezellen, daar zijn
ambtspligt gebood dat hij hem niet in den steek liet; maar Thwackum
wees zijne beleefdheid van de hand, en hem zonder pligtplegingen van
zich afstootende, dwong hij hem den heer Western te volgen.
Dus eindigde deze bloedige strijd, en hiermede zal ook het vijfde boek
van deze geschiedenis eindigen.