HOOFDSTUK X.

DE WAARHEID BEWIJZENDE VAN VELE OPMERKINGEN VAN OVIDIUS EN VAN ANDERE

DEFTIGE SCHRIJVERS, DIE BOVEN ALLE BEDENKING BEWEZEN HEBBEN, DAT DE

WIJN DIKWERF DE VOORBODE DER ONTUCHT IS.

Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf

zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af

te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.

En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne

beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de

gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat

wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met

verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den

geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het

aan de nakomelingschap mede te deelen.

Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held

wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de

bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje

en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke

harmonie vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de

liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl

zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en

het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden,

smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond

werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende

verzuchtingen uit:

„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou

ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als

ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om

iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische

schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de

edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere

vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon

aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne

Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds

blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw

beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen

zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten!

O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden

van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler

kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn!

O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”

Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne

Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk

uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een

grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere

uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly

Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het

zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s

naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach

naderende, riep uit:

„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te

vermoorden!”

„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.

„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de

laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge

me maar dood maaktet!”

Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet

noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik

zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste

gedeelte van het plantsoen terugtrokken.

Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij,

het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de

bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan

geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor

beter hield dan één.

Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van

Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen

gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van

die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen

zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en

van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu

geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand,

waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al

ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen

ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren

dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En

schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te

vermanen?”

Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap

geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het

geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet

van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar

bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de

politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige

overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene

dergelijke als die, waaraan de heer Jones zich nu schuldig maakte, en

op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me

verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat

hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid

voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.

Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de

dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als

het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus

onze held met zijne Dido terug getrokken, of

„Speluncam Blifil, dux et divinus eandem

Deveniunt—”

dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling

deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste

kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.

Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas

verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had,

ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te

schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.

Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening,

en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.

Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje

gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met

de eene of andere schandelijke bedoeling.”

Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om

welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij

verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan

te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.

De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar

ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin

zondigden, vatte vuur bij deze woorden.

Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en

terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn toorn, met klagten

vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer

Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde,

door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die

billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer

zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.

De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was

zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd

werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat

Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem

overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat

om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide

bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen

genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens

de jagerstaal, op het spoor was.

Tom Jones · 第 79 / 340 题