DE WAARHEID BEWIJZENDE VAN VELE OPMERKINGEN VAN OVIDIUS EN VAN ANDERE
DEFTIGE SCHRIJVERS, DIE BOVEN ALLE BEDENKING BEWEZEN HEBBEN, DAT DE
WIJN DIKWERF DE VOORBODE DER ONTUCHT IS.
Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf
zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af
te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.
En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne
beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de
gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat
wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met
verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den
geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het
aan de nakomelingschap mede te deelen.
Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held
wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de
bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje
en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke
harmonie vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de
liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl
zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en
het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden,
smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond
werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende
verzuchtingen uit:
„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou
ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als
ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om
iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische
schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de
edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere
vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon
aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne
Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds
blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw
beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen
zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten!
O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden
van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler
kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn!
O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”
Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne
Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk
uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een
grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere
uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly
Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het
zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s
naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach
naderende, riep uit:
„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te
vermoorden!”
„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.
„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de
laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge
me maar dood maaktet!”
Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet
noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik
zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste
gedeelte van het plantsoen terugtrokken.
Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij,
het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de
bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan
geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor
beter hield dan één.
Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van
Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen
gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van
die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen
zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en
van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu
geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand,
waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al
ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen
ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren
dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En
schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te
vermanen?”
Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap
geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het
geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet
van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar
bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de
politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige
overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene
dergelijke als die, waaraan de heer Jones zich nu schuldig maakte, en
op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me
verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat
hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid
voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.
Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de
dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als
het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus
onze held met zijne Dido terug getrokken, of
„Speluncam Blifil, dux et divinus eandem
Deveniunt—”
dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling
deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste
kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.
Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas
verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had,
ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te
schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.
Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening,
en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.
Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje
gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met
de eene of andere schandelijke bedoeling.”
Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om
welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij
verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan
te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.
De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar
ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin
zondigden, vatte vuur bij deze woorden.
Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en
terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn toorn, met klagten
vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer
Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde,
door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die
billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer
zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.
De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was
zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd
werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat
Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem
overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat
om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide
bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen
genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens
de jagerstaal, op het spoor was.