HETWELK, ONDER ANDEREN, STREKKEN KAN TOT EEN COMMENTAAR OP HET GEZEGDE
VAN AESCHINES, „DAT DE DRONKENSCHAP DEN GEEST VAN DEN MENSCH TOONT,
EVEN ALS EEN SPIEGEL ZIJN LIGCHAAM WEERKAATST.”
De lezer zal verwonderd zijn, dat hij in het laatste hoofdstuk niets
van den heer Jones vernomen heeft. Inderdaad, zijn gedrag verschilde
zoo zeer van dat der anderen, dat wij niet verkozen zijn naam bij de
hunnen te vermelden.
Toen de waardige Allworthy gedaan had met spreken, was Jones de laatste
die het vertrek verliet. Vandaar ging hij naar zijne eigene kamer, om
zijn leed in afzondering lucht te geven. Maar zijne ontroering liet hem
slechts korten tijd met rust; hij sloop dus zachtjes naar de deur van
de ziekenkamer, waar hij een tijdlang luisterde zonder iets in de kamer
te hooren, behalve een hard gesnork, dat zijne vrees hem voor gekerm
deed houden. Dit verschrikte hem zoodanig, dat hij zich niet onthouden
kon van in de kamer te treden, waar hij den waardigen man in een
zoeten, verkwikkelijken slaap vond, terwijl de vrouw, die bij hem waken
moest, aan het voeteneinde van het bed op boven beschrevene wijze zat
te snorken. Jones gebruikte het eenige afdoende middel om aan deze
bastoonen, die den heer Allworthy, naar hij vreesde, verontrusten
zouden, een einde te maken;—en daarop zelf plaats nemende in de kamer,
bleef hij er geheel bewegingloos, tot Blifil en de dokter zamen binnen
kwamen en den zieke wekten, opdat de geneesheer hem den pols zou kunnen
voelen, en de andere hem het nieuws mededeelen, hetwelk, indien Jones
het geweten had, bezwaarlijk op dat oogenblik het oor van den heer
Allworthy bereikt zou hebben.
Toen hij het dus hoorde mededeelen, kon hij, in het begin, ter naauwer
nood zijn toorn verkroppen over Blifil’s onvoorzigtigheid, vooral daar
de geneesheer het hoofd schudde, en verklaarde dat het tegen zijn zin
was, dat zoo iets aan den zieke medegedeeld werd. Daar echter zijne
verontwaardiging zijne rede niet zoodanig overmeesterde, dat ze hem
voor de uitwerking verblindde, welke eenige hevige woorden van zijn
kant tegen Blifil gerigt, op den zieke konden hebben, smoorde hij voor
het oogenblik zijne woede, en hij gevoelde zich later zoo gelukkig,
toen hij zag dat het nieuws geen kwaad gedaan had, dat hij zijn toorn
in zijn eigen hart liet uitsterven, zonder er iets van aan Blifil te
openbaren.
De geneesheer bleef dien dag eten bij den heer Allworthy, en na tafel
den zieke bezocht hebbende, keerde hij naar het overige gezelschap
terug en vertelde, dat hij nu de voldoening kon hebben te verzekeren,
dat de zieke buiten alle gevaar verkeerde; dat de koorts gebroken was,
en dat hij niet twijfelde of hij zou de ziekte met behulp van quinine
geheel en al meester worden.
Dit berigt verheugde Jones zoodanig, en bragt zulke geweldige vlagen
van verrukking bij hem te weeg, dat men zonder overdrijving zeggen kan,
dat hij dronken van vreugde was. Deze dronkenschap verhoogt zeer de
uitwerking van den wijn, en daar hij bij deze gelegenheid de flesch ook
niet spaarde,—(want hij ledigde herhaalde volle bekers op het welzijn
van den geneesheer en van vele anderen ook)—werd hij spoedig wezenlijk
dronken.
Jones was van aard opgewonden, en nu geprikkeld en opgewekt door den
wijn, werd hij buitensporig luidruchtig. Hij kuste den dokter en
omhelsde hem op de meest hartstogtelijke wijze, terwijl hij zwoer, dat,
na den heer Allworthy, hij hem boven alle menschen ter wereld beminde.
„Dokter,” voegde hij er bij, „ge verdient, dat men een standbeeld voor
u oprigte, op kosten van het algemeen, omdat ge een man gered hebt, die
niet slechts de lieveling is van alle goede menschen, die hem kennen,
maar een zegen voor de maatschappij, de roem van zijn vaderland, en
eene eer voor de menschelijke natuur. Verdraaid! Ik houd nog meer van
hem dan van mijne eigene ziel!”
„Daar moest ge u over schamen!” riep Thwackum; „hoewel ik bekennen
moet, dat ge reden genoeg hebt om van hem te houden, daar hij zoo goed
voor u gezorgd heeft. Misschien zou het ook voor zeker iemand beter
zijn, als hij niet leefde, om eens zijne gift te moeten intrekken.”
Jones keek Thwackum met de meeste minachting uit de hoogte aan, en
hernam:
„En gelooft gij, lage ziel, dat eenige bedenking van dien aard bij mij
invloed kan hebben? Neen! laat de aarde gapen om haar eigen slijk te
verzwelgen (als ik millioenen bezat zou ik dat zeggen), eerder dan mij
mijn heerlijken vriend te rooven.
„Quis desiderio sit pudor aut modus
Tam cari capitis?”
„Welke bescheidenheid of maat kunnen wij stellen aan onze begeerte [3]
naar zulk een vriend.”
De geneesheer mengde zich nu in den strijd en voorkwam de dreigende
uitbarsting van toorn tusschen Jones en Thwackum, waarop eerstgenoemde
zich geheel aan de vreugde wijdde, een stuk of wat minneliedjes zong,
en zich aan allerlei buitensporige vlagen overgaf, die onbegrensde
vreugde wel eens veroorzaakt; maar verre van eenige neiging tot twisten
te toonen, was hij, zoo mogelijk, tienmaal beter gestemd dan als hij
nuchter was.
Om de waarheid te zeggen, bestaat er geene grootere dwaling dan de
algemeen heerschende meening, dat menschen, die knorrig en twistziek
zijn in hunne dronkenschap, zeer waardige menschen zijn in een
nuchteren toestand; want de drank verandert, in de werkelijkheid, de
natuur niet, en schept ook geene hartstogten in de menschen, welke zij
niet vroeger bezaten. De drank berooft ons slechts van de hoede der
rede, en dwingt ons bij gevolg, om die verschijnselen te openbaren,
welke vele menschen, als zij nuchter zijn, zeer kunstig weten te
verbergen. Onze driften worden daardoor verhoogd en aangevuurd (vooral,
de heerschende drift), zoodat de kwade luim, de verliefdheid, de
edelmoedigheid, de goedheid, de gierigheid, en alle andere menschelijke
aandoeningen, in de dronkenschap uitkomen en in het oog vallen.
Evenwel, daar geen volk zoo vele dronkenmanstwisten oplevert als het
Engelsche, vooral onder de lagere klassen,—want drinken en vechten is
inderdaad bij die menschen bijna synoniem,—zou het me spijten als men
daaruit opmaken wilde dat de Engelschen de kwaadaardigste menschen ter
wereld zijn. Misschien dat daaronder slechts de zucht naar roem
schuilt, zoodat het billijker schijnt tot het besluit te komen, dat ons
volk meer van die zucht en meer dapperheid bezit, dan eenige andere
Plebejers. En dit te meer, daar er zelden iets onedels, oneerlijks of
kwaadaardigs bij deze gelegenheden opgemerkt wordt. Ja, het is zelfs de
gewoonte der strijders, zelfs gedurende den twist, onderling blijken te
geven van de meeste welwillendheid, en even als hunne dronkene vreugde
gewoonlijk met een gevecht eindigt, zoo eindigen ook de meeste hunner
gevechten met de vriendschap.
Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. Hoewel Jones geen blijk had
gegeven van iemand te willen beleedigen, gevoelde zich de heer Blifil
zeer gekrenkt door een gedrag, zoo ten eene male in strijd met de
bedaardheid en voorzigtigheid van zijn eigen karakter. Hij verduurde
het ook met des te meer ongeduld, daar het hem op dit oogenblik zeer
onbetamelijk scheen.
„Nu,” zeide hij, „dat het geheele huisgezin treuren moest over het
verlies zijner eigene dierbare moeder, hoewel het den Hemel behaagd had
hun eenig vooruitzigt te geven op het behoud van den heer Allworthy,
zou het hun meer betamen, door een dankgebed hunne vreugde te uiten,
dan door luidruchtige dronkenschap, die meer geschikt was den
goddelijken toorn op te wekken, dan dien af te keeren.”
Thwackum, die meer dan Jones gedronken had, maar zonder er iets van te
voelen, bekrachtigde de vrome woorden van Blifil; maar Square, om
redenen, welke de lezer gemakkelijk gissen zal, zweeg stil.
De wijn had Jones zoodanig beneveld, dat hij het verlies van mevrouw
Blifil vergeten had, tot het nu weder vermeld werd. Daar er ook niemand
ter wereld was, die gereeder kon zijn om zijne eigene dwalingen te
bekennen en af te keuren, bood hij Blifil de hand, en smeekte hem om
vergiffenis, verklarende, „dat zijne buitengewoon groote vreugde over
het herstel van den heer Allworthy alle andere gedachten uit zijn hoofd
verdreven had.”
Blifil weigerde met verachting hem de hand te geven, en hernam met veel
verontwaardiging, „dat het niet te verwonderen was, dat iets dat
tragisch was, geen indruk op een blinde maakte, dat, wat hem betrof,
hij het ongeluk had van zijne ouders te kennen, en dus natuurlijk door
hun verlies getroffen moest zijn.”
Jones die, niettegenstaande zijne goedaardigheid, eenigzins driftig van
aard was, sprong woedend van zijn stoel op, en Blifil bij den kraag
vattende, riep hij hem toe:
„Hoe! Gij vervloekte schelm! Wilt ge me beleedigen over het ongeluk
mijner geboorte?”
Deze woorden gingen met zulk eene ruwe behandeling gepaard, dat
Blifil’s vredelievendheid weldra bezweek en er eene worsteling volgde,
welke kwaad had kunnen afloopen, als Thwackum en de geneesheer niet
tusschenbeide gekomen waren; want de wijsgeerige Square was boven alle
aandoeningen verheven en bleef zeer kalm zijne pijp rooken, zooals hij
gewoonlijk deed bij gelegenheid van dergelijke twisten, tenzij hij
vreesde dat men hem de pijp in den mond stuk zou slaan.
Daar de strijdenden nu belet werden hun wrok op elkaar te koelen,
behielpen zij zich met de gewone toevlugt van teleurgestelde woede, en
gaven hun toorn lucht in bedreigingen en uitdagingen. In deze soort van
tweestrijd scheen de overwinning, welke in het werkdadig gevecht naar
de zijde van Jones overhelde, nu geheel en al zijn vijand te
begunstigen.
Eindelijk echter werd er door tusschenkomst der onzijdige partijen een
wapenstilstand gesloten, en het gezelschap nam weder plaats aan tafel,
waar Jones overgehaald zijnde om zich weder te verontschuldigen, en
Blifil om dat aan te nemen, de vrede weder hersteld werd, en alles in
het vorige statu quo verkeerde.
Maar hoewel de twist schijnbaar voor goed bijgelegd was, keerde de
goede luim, die gestoord was geworden, volstrekt niet terug. Alle
opgeruimdheid was nu gebannen, en het gesprek dat volgde, bestond
alleen uit het aanhalen van ernstige daadzaken en uit even ernstige
opmerkingen dienaangaande;—eene soort van gesprek, welke, hoe waardig
en leerzaam ook, weinig onderhoudend is. Daar wij echter alleen wagen
het laatste aan den lezer aantebieden, zullen wij al hetgeen gezegd
werd overslaan, tot de overigen van het gezelschap zich langzamerhand
verwijderden, en Square en de dokter alleen bleven, als wanneer het
gesprek eenigzins verlevendigd werd door eenige opmerkingen aangaande
hetgeen gezegd was door de beide jonge heeren, welke de dokter beiden
schelmen noemde, wat door den wijsgeer met een diepzinnig hoofdschudden
goedgekeurd werd.