HOOFDSTUK IX.

HETWELK, ONDER ANDEREN, STREKKEN KAN TOT EEN COMMENTAAR OP HET GEZEGDE

VAN AESCHINES, „DAT DE DRONKENSCHAP DEN GEEST VAN DEN MENSCH TOONT,

EVEN ALS EEN SPIEGEL ZIJN LIGCHAAM WEERKAATST.”

De lezer zal verwonderd zijn, dat hij in het laatste hoofdstuk niets

van den heer Jones vernomen heeft. Inderdaad, zijn gedrag verschilde

zoo zeer van dat der anderen, dat wij niet verkozen zijn naam bij de

hunnen te vermelden.

Toen de waardige Allworthy gedaan had met spreken, was Jones de laatste

die het vertrek verliet. Vandaar ging hij naar zijne eigene kamer, om

zijn leed in afzondering lucht te geven. Maar zijne ontroering liet hem

slechts korten tijd met rust; hij sloop dus zachtjes naar de deur van

de ziekenkamer, waar hij een tijdlang luisterde zonder iets in de kamer

te hooren, behalve een hard gesnork, dat zijne vrees hem voor gekerm

deed houden. Dit verschrikte hem zoodanig, dat hij zich niet onthouden

kon van in de kamer te treden, waar hij den waardigen man in een

zoeten, verkwikkelijken slaap vond, terwijl de vrouw, die bij hem waken

moest, aan het voeteneinde van het bed op boven beschrevene wijze zat

te snorken. Jones gebruikte het eenige afdoende middel om aan deze

bastoonen, die den heer Allworthy, naar hij vreesde, verontrusten

zouden, een einde te maken;—en daarop zelf plaats nemende in de kamer,

bleef hij er geheel bewegingloos, tot Blifil en de dokter zamen binnen

kwamen en den zieke wekten, opdat de geneesheer hem den pols zou kunnen

voelen, en de andere hem het nieuws mededeelen, hetwelk, indien Jones

het geweten had, bezwaarlijk op dat oogenblik het oor van den heer

Allworthy bereikt zou hebben.

Toen hij het dus hoorde mededeelen, kon hij, in het begin, ter naauwer

nood zijn toorn verkroppen over Blifil’s onvoorzigtigheid, vooral daar

de geneesheer het hoofd schudde, en verklaarde dat het tegen zijn zin

was, dat zoo iets aan den zieke medegedeeld werd. Daar echter zijne

verontwaardiging zijne rede niet zoodanig overmeesterde, dat ze hem

voor de uitwerking verblindde, welke eenige hevige woorden van zijn

kant tegen Blifil gerigt, op den zieke konden hebben, smoorde hij voor

het oogenblik zijne woede, en hij gevoelde zich later zoo gelukkig,

toen hij zag dat het nieuws geen kwaad gedaan had, dat hij zijn toorn

in zijn eigen hart liet uitsterven, zonder er iets van aan Blifil te

openbaren.

De geneesheer bleef dien dag eten bij den heer Allworthy, en na tafel

den zieke bezocht hebbende, keerde hij naar het overige gezelschap

terug en vertelde, dat hij nu de voldoening kon hebben te verzekeren,

dat de zieke buiten alle gevaar verkeerde; dat de koorts gebroken was,

en dat hij niet twijfelde of hij zou de ziekte met behulp van quinine

geheel en al meester worden.

Dit berigt verheugde Jones zoodanig, en bragt zulke geweldige vlagen

van verrukking bij hem te weeg, dat men zonder overdrijving zeggen kan,

dat hij dronken van vreugde was. Deze dronkenschap verhoogt zeer de

uitwerking van den wijn, en daar hij bij deze gelegenheid de flesch ook

niet spaarde,—(want hij ledigde herhaalde volle bekers op het welzijn

van den geneesheer en van vele anderen ook)—werd hij spoedig wezenlijk

dronken.

Jones was van aard opgewonden, en nu geprikkeld en opgewekt door den

wijn, werd hij buitensporig luidruchtig. Hij kuste den dokter en

omhelsde hem op de meest hartstogtelijke wijze, terwijl hij zwoer, dat,

na den heer Allworthy, hij hem boven alle menschen ter wereld beminde.

„Dokter,” voegde hij er bij, „ge verdient, dat men een standbeeld voor

u oprigte, op kosten van het algemeen, omdat ge een man gered hebt, die

niet slechts de lieveling is van alle goede menschen, die hem kennen,

maar een zegen voor de maatschappij, de roem van zijn vaderland, en

eene eer voor de menschelijke natuur. Verdraaid! Ik houd nog meer van

hem dan van mijne eigene ziel!”

„Daar moest ge u over schamen!” riep Thwackum; „hoewel ik bekennen

moet, dat ge reden genoeg hebt om van hem te houden, daar hij zoo goed

voor u gezorgd heeft. Misschien zou het ook voor zeker iemand beter

zijn, als hij niet leefde, om eens zijne gift te moeten intrekken.”

Jones keek Thwackum met de meeste minachting uit de hoogte aan, en

hernam:

„En gelooft gij, lage ziel, dat eenige bedenking van dien aard bij mij

invloed kan hebben? Neen! laat de aarde gapen om haar eigen slijk te

verzwelgen (als ik millioenen bezat zou ik dat zeggen), eerder dan mij

mijn heerlijken vriend te rooven.

„Quis desiderio sit pudor aut modus

Tam cari capitis?”

„Welke bescheidenheid of maat kunnen wij stellen aan onze begeerte [3]

naar zulk een vriend.”

De geneesheer mengde zich nu in den strijd en voorkwam de dreigende

uitbarsting van toorn tusschen Jones en Thwackum, waarop eerstgenoemde

zich geheel aan de vreugde wijdde, een stuk of wat minneliedjes zong,

en zich aan allerlei buitensporige vlagen overgaf, die onbegrensde

vreugde wel eens veroorzaakt; maar verre van eenige neiging tot twisten

te toonen, was hij, zoo mogelijk, tienmaal beter gestemd dan als hij

nuchter was.

Om de waarheid te zeggen, bestaat er geene grootere dwaling dan de

algemeen heerschende meening, dat menschen, die knorrig en twistziek

zijn in hunne dronkenschap, zeer waardige menschen zijn in een

nuchteren toestand; want de drank verandert, in de werkelijkheid, de

natuur niet, en schept ook geene hartstogten in de menschen, welke zij

niet vroeger bezaten. De drank berooft ons slechts van de hoede der

rede, en dwingt ons bij gevolg, om die verschijnselen te openbaren,

welke vele menschen, als zij nuchter zijn, zeer kunstig weten te

verbergen. Onze driften worden daardoor verhoogd en aangevuurd (vooral,

de heerschende drift), zoodat de kwade luim, de verliefdheid, de

edelmoedigheid, de goedheid, de gierigheid, en alle andere menschelijke

aandoeningen, in de dronkenschap uitkomen en in het oog vallen.

Evenwel, daar geen volk zoo vele dronkenmanstwisten oplevert als het

Engelsche, vooral onder de lagere klassen,—want drinken en vechten is

inderdaad bij die menschen bijna synoniem,—zou het me spijten als men

daaruit opmaken wilde dat de Engelschen de kwaadaardigste menschen ter

wereld zijn. Misschien dat daaronder slechts de zucht naar roem

schuilt, zoodat het billijker schijnt tot het besluit te komen, dat ons

volk meer van die zucht en meer dapperheid bezit, dan eenige andere

Plebejers. En dit te meer, daar er zelden iets onedels, oneerlijks of

kwaadaardigs bij deze gelegenheden opgemerkt wordt. Ja, het is zelfs de

gewoonte der strijders, zelfs gedurende den twist, onderling blijken te

geven van de meeste welwillendheid, en even als hunne dronkene vreugde

gewoonlijk met een gevecht eindigt, zoo eindigen ook de meeste hunner

gevechten met de vriendschap.

Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. Hoewel Jones geen blijk had

gegeven van iemand te willen beleedigen, gevoelde zich de heer Blifil

zeer gekrenkt door een gedrag, zoo ten eene male in strijd met de

bedaardheid en voorzigtigheid van zijn eigen karakter. Hij verduurde

het ook met des te meer ongeduld, daar het hem op dit oogenblik zeer

onbetamelijk scheen.

„Nu,” zeide hij, „dat het geheele huisgezin treuren moest over het

verlies zijner eigene dierbare moeder, hoewel het den Hemel behaagd had

hun eenig vooruitzigt te geven op het behoud van den heer Allworthy,

zou het hun meer betamen, door een dankgebed hunne vreugde te uiten,

dan door luidruchtige dronkenschap, die meer geschikt was den

goddelijken toorn op te wekken, dan dien af te keeren.”

Thwackum, die meer dan Jones gedronken had, maar zonder er iets van te

voelen, bekrachtigde de vrome woorden van Blifil; maar Square, om

redenen, welke de lezer gemakkelijk gissen zal, zweeg stil.

De wijn had Jones zoodanig beneveld, dat hij het verlies van mevrouw

Blifil vergeten had, tot het nu weder vermeld werd. Daar er ook niemand

ter wereld was, die gereeder kon zijn om zijne eigene dwalingen te

bekennen en af te keuren, bood hij Blifil de hand, en smeekte hem om

vergiffenis, verklarende, „dat zijne buitengewoon groote vreugde over

het herstel van den heer Allworthy alle andere gedachten uit zijn hoofd

verdreven had.”

Blifil weigerde met verachting hem de hand te geven, en hernam met veel

verontwaardiging, „dat het niet te verwonderen was, dat iets dat

tragisch was, geen indruk op een blinde maakte, dat, wat hem betrof,

hij het ongeluk had van zijne ouders te kennen, en dus natuurlijk door

hun verlies getroffen moest zijn.”

Jones die, niettegenstaande zijne goedaardigheid, eenigzins driftig van

aard was, sprong woedend van zijn stoel op, en Blifil bij den kraag

vattende, riep hij hem toe:

„Hoe! Gij vervloekte schelm! Wilt ge me beleedigen over het ongeluk

mijner geboorte?”

Deze woorden gingen met zulk eene ruwe behandeling gepaard, dat

Blifil’s vredelievendheid weldra bezweek en er eene worsteling volgde,

welke kwaad had kunnen afloopen, als Thwackum en de geneesheer niet

tusschenbeide gekomen waren; want de wijsgeerige Square was boven alle

aandoeningen verheven en bleef zeer kalm zijne pijp rooken, zooals hij

gewoonlijk deed bij gelegenheid van dergelijke twisten, tenzij hij

vreesde dat men hem de pijp in den mond stuk zou slaan.

Daar de strijdenden nu belet werden hun wrok op elkaar te koelen,

behielpen zij zich met de gewone toevlugt van teleurgestelde woede, en

gaven hun toorn lucht in bedreigingen en uitdagingen. In deze soort van

tweestrijd scheen de overwinning, welke in het werkdadig gevecht naar

de zijde van Jones overhelde, nu geheel en al zijn vijand te

begunstigen.

Eindelijk echter werd er door tusschenkomst der onzijdige partijen een

wapenstilstand gesloten, en het gezelschap nam weder plaats aan tafel,

waar Jones overgehaald zijnde om zich weder te verontschuldigen, en

Blifil om dat aan te nemen, de vrede weder hersteld werd, en alles in

het vorige statu quo verkeerde.

Maar hoewel de twist schijnbaar voor goed bijgelegd was, keerde de

goede luim, die gestoord was geworden, volstrekt niet terug. Alle

opgeruimdheid was nu gebannen, en het gesprek dat volgde, bestond

alleen uit het aanhalen van ernstige daadzaken en uit even ernstige

opmerkingen dienaangaande;—eene soort van gesprek, welke, hoe waardig

en leerzaam ook, weinig onderhoudend is. Daar wij echter alleen wagen

het laatste aan den lezer aantebieden, zullen wij al hetgeen gezegd

werd overslaan, tot de overigen van het gezelschap zich langzamerhand

verwijderden, en Square en de dokter alleen bleven, als wanneer het

gesprek eenigzins verlevendigd werd door eenige opmerkingen aangaande

hetgeen gezegd was door de beide jonge heeren, welke de dokter beiden

schelmen noemde, wat door den wijsgeer met een diepzinnig hoofdschudden

goedgekeurd werd.

Tom Jones · 第 78 / 340 题