ZAKEN BEVATTENDE DIE MEER NATUURLIJK DAN AANGENAAM ZIJN.

Behalve de droefheid over den toestand van haar meester, was er nog een

andere bron van dien zilten stroom, die zoo weelderig vloeide van de

bergachtige wangbeenderen der huishoudster. Zij was ook ter naauwer

nood de kamer uit, toen zij op de volgende stichtelijke wijze voor zich

heen begon te mompelen:

„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen

mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben,

om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk,

mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat

ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om

eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve

genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik!

En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als

dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk,

zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te

nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen!

Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het

graf van den ouden vrek dansen! Dat is nu de belooning, omdat ik zoo

dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande

noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij

daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan

hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om

zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te

geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi

verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te

vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige

kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon

komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle

bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!”

Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd

jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden

zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even

goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet

een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen

hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik

weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat

een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale

zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”

Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel

voldoende zijn voor den lezer.

Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne

legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven,

kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken

zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote

mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.

Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette

Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:

„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem

verlieten?”

„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge

hem, dunkt me, liever uw vriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van

u dien titel wel verdiend heeft.”

„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het

zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”

„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij

er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er

is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en

belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg

welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor

sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge

moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want

Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij

beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan

hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak

maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te

sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over

zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”

„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de

benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne

vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen

met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven

is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo

lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al

wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap

zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen

worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo

dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van

uw vriend beneveld hebt.”

„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille

zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd

heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk

is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan

kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te

hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen,

welke, zoo als hij wel wist, hem door één mensch in dit huis geschonken

kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel

betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan

jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe

krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere

deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den

priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die

absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”

„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem

dan zelf niet aan?”

„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke

genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat

ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem

de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft,

zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal

worden.”

„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als

ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat

hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik

dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner

geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”

Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de

twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.

„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.

„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke

verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”

„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen

gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer

voor hem bestaat.”

De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene

verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer

bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was

te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd

en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave

gesleept had.

„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar

ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De

jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben

toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”

Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat

nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man,

de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer

goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen

den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet

nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de

tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den

zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen

kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke

grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de

heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als

hij zulke rampen overleefde.

Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner

zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig

verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens

zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke

stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor

hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat

hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon

denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en

wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den

dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te

deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte

bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien

aard verzwegen had.

De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen,

hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren.

Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer,

waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke

den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er

groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel

wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het

oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden

weinig hoop bestaan had.

Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy

nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar,

even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens

krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte

minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge

krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen

gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste

denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde

veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.

En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen

degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere

eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande

hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te

delven.

De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan

en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer

Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den

zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk

Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;

„Si nullus erit, tamen excute nullum,”

dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan

zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.

Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping.

Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en

zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar

Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik

te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij

zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij

gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en

dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden

kon, hij toch niet klaar zou komen.

Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij

wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet

worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over,

alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen

wilde hebben.

Tom Jones · 第 77 / 340 题