BEVATTENDE ZAKEN DIE VEEL DUIDELIJKER ZIJN; MAAR WELKE UIT DEZELFDE
BRON VOORTVLOEIJEN ALS DIE VAN HET VORIGE HOOFDSTUK.
Het zal den lezer zeker aangenaam zijn met mij bij Sophia terug te
keeren. Zij sleet den nacht, nadat wij haar voor het laatst zagen, op
geene zeer aangename wijze. De slaap begunstigde haar weinig, en hare
droomen nog minder. ’s Morgens, toen jufvrouw Honour, hare kamenier, op
het gewone uur bij haar kwam, vond zij haar reeds op en gekleed.
Op het land worden menschen, die slechts op een uurtje afstands van ons
wonen, als buren beschouwd, en hetgeen in het ééne huis voorvalt, wordt
met ongeloofelijke snelheid in het andere overgebragt.
Jufvrouw Honour had dus het geheele verhaal van Molly’s schande
gehoord, hetwelk zij, zeer mededeelzaam van aard zijnde, zoodra zij in
de kamer trad, op de volgende wijze aan de jonge dame begon te
vertellen:
„Wel, jufvrouw! Neen, maar! zoo iets zoudt gij niet willen gelooven!
Het meisje, dat gij zondag in de kerk gezien hebt, en dat gij zoo mooi
vondt,—maar zóó mooi zoudt gij haar niet gevonden hebben, als gij haar
maar van wat digterbij gezien hadt,—is voor den vrederegter gebragt,
omdat zij bevallen moest! Ik zag dadelijk dat het eene onbeschaamde
feeks was! En zij heeft den jongen mijnheer Jones de schuld daarvan
gegeven! En iedereen zegt, dat mijnheer Allworthy zoo kwaad is op den
jongen heer, dat hij hem niet meer zien wil. ’t Is waarachtig om
medelijden te hebben met den armen jongen, hoewel hij eigenlijk geen
medelijden verdient, omdat hij zich met zulk een slet heeft willen
ophouden. Maar het is toch zulk een knappe jongen, dat het mij
ijsselijk spijten zou als hij op straat gezet werd. Ik zou wel durven
wedden, dat het meisje even veel schuld heeft als hij; want het is
altijd een onbeschaamd mensch geweest. En als de meisjes hun zoo te
gemoet komen, kan men het de jongens niet zoo erg kwalijk nemen; want
het is zeker, zij doen alleen wat de natuur hun ingeeft. Maar het is
beneden hunne waardigheid zich met zulke vuile deerns op te houden, en
dan verdienen ze ook het ergste wat hen overkomen kan. En toch zijn het
die leelijke meiden die de meeste schuld hebben. Ik wenschte van
ganscher harte, dat men ze allen door den beul liet geesselen; want het
is schande, dat zij een knap jong mensch ongelukkig zouden maken,—en
niemand zal loochenen dat mijnheer Jones een der mooiste jongens is,
die—”
Zij draafde op deze wijze door toen Sophia, op een meer knorrigen toon
dan waarop zij haar ooit te voren aangesproken had, riep:
„Hoe komt gij er toe mij met dergelijke zotheden op te houden? Wat gaat
mij de heer Jones aan? Ik verbeeld me, dat gij allen onderling gelijk
zijt. Het is alsof gij kwaad zijt, dat het niet met u gebeurd is!”
„Ik, jufvrouw?” hernam Honour. „Het spijt me zeer, dat de jufvrouw zulk
een min denkbeeld van mij heeft! Geen mensch zou zoo iets van mij
zeggen,—dat is zeker! Voor mijn part kunnen alle jonge heeren ter
wereld naar den drommel loopen! Omdat ik zeide dat hij een mooije
jongen was!—Dat zegt iedereen!—Wel! ik heb nooit geweten, dat er eenig
kwaad in zat, als men zeide, dat een jongen er goed uitzag! Maar ik zal
dat niet weer van hem zeggen,—van iemand die zoo leelijk handelt! Bah!
met zoo’n bedelaarskind!—”
„Houd op met uwe onbeschaamdheid!” riep Sophia, „en ga zien of mijn
vader klaar is om te ontbijten.”
Juffer Honour vloog nu de kamer uit, druk in zich zelve pratende, en
een heele boel zeggende, waarvan alleen: „Wel nou kom aan!” alles was,
wat hoorbaar bleef.
Of nu juffer Honour wezenlijk verdiende op die manier verdacht te
worden, zoo als hare meesteresse het zeide, is iets dat wij niet op ons
nemen kunnen voor den lezer te beslissen. Wij zullen dat echter
vergoeden door hem mede te deelen wat er in Sophia’s hart omging.
De lezer zal gelieven zich te herinneren dat deze jonge dame ongevoelig
eene geheime neiging voor Jones had opgevat. Die hartstogt was in de
diepte van haar boezem tamelijk vastgeworteld eer zij er zelve iets van
ontdekte. Toen zij de eerste sporen er van opmerkte, waren de
gewaarwordingen zoo heerlijk en zoet, dat zij de standvastigheid miste
om ze tegen te gaan, of ze te smoren, en zij was dus voortgegaan met
een hartstogt te koesteren, aan welks gevolgen zij niet eens gedacht
had.
Hetgeen er nu met Molly gebeurd was, opende haar voor het eerst de
oogen. Zij zag de zwakheid in waaraan zij zich schuldig had gemaakt, en
hoewel dit haar in een hevigen graad ontroerde, wekte het toch even als
andere onaangename geneesmiddelen, en verdreef tijdelijk de ziekte. De
werking was inderdaad verbazend snel en in den korten tusschentijd der
afwezigheid van de kamenier, waren alle ziekte-teekenen zoo volmaakt
geweken, dat toen juffer Honour haar bij haar vader kwam roepen, zij
volmaakt op haar gemak was en de meeste onverschilligheid voor den heer
Jones gevoelde.
De kwalen van den geest gelijken in bijna alle bijzonderheden op die
van het ligchaam,—om welke reden wij durven hopen, dat de geneeskundige
fakulteit ons vergeven zal als wij ons genoopt zagen gebruik te maken
van verscheidene woorden en phrases, die van regtswege haar
toebehooren;—maar zonder welke onze beschrijving op vele punten
onverstaanbaar zou gebleven zijn.
Nu is er geen ééne bijzonderheid, waarin de ziekten van den geest eene
grootere analogie hebben met die van het ligchaam, dan in de neiging
van beide om op nieuw uit te breken. Dit is zeer blijkbaar in de hevige
kwalen van eerzucht en gierigheid. Ik heb gezien dat de eerzucht aan
het hof, genezen door herhaalde teleurstellingen (welke het eenige
middel daartegen zijn), weer uitbrak in een twist over het
voorzitterschap eener Jury; en ik heb van een man gehoord, die in zoo
ver de gierigheid was te boven gekomen, dat hij menigen stuiver
wegschonk, en zich eindelijk op zijn sterfbed troostte met eene listige
en voordeelige overeenkomst te maken met een lijkbezorger, die de man
was zijner eenige dochter.
In de liefde, welke wij, ons streng aan de stoicijnsche leerbegrippen
houdende, hier als eene ziekte mogen beschouwen, is deze neiging om
weer uit te breken niet minder duidelijk. Dus ging het onze arme
Sophia, bij wie, de allereerste keer, dat zij den jongen Jones weder
zag, al de vroegere ziekteverschijnselen uitbraken, terwijl haar hart,
van dien tijd af, beurtelings door heete en koude koortsachtige
aandoeningen geschokt werd.
De toestand van deze jonge dame verschilde nu zeer van dien van
vroegere dagen. De hartstogt, welke vroeger zoo bekoorlijk en heerlijk
geweest was, werd nu tot een schorpioen in haar hart. Zij bood dus met
de meeste kracht er wederstand aan, en riep alle redenen op, die zij
bijeen kon brengen, om deze liefde te onderdrukken en te vernietigen.
Dit gelukte haar in zoo ver, dat zij begon te hopen door den tijd en de
afwezigheid volkomen genezen te worden. Zij besloot om Tom Jones zoo
veel mogelijk te mijden, en had al het voornemen opgevat om hare tante
te gaan bezoeken, waaraan zij niet twijfelde dat haar vader zijne
toestemming zou geven.
Maar het noodlot, dat andere plannen koesterde, verijdelde dit
voornemen door een ongeluk te doen plaats hebben, hetwelk in het
volgende hoofdstuk beschreven zal worden.