HOOFDSTUK XII.

BEVATTENDE ZAKEN DIE VEEL DUIDELIJKER ZIJN; MAAR WELKE UIT DEZELFDE

BRON VOORTVLOEIJEN ALS DIE VAN HET VORIGE HOOFDSTUK.

Het zal den lezer zeker aangenaam zijn met mij bij Sophia terug te

keeren. Zij sleet den nacht, nadat wij haar voor het laatst zagen, op

geene zeer aangename wijze. De slaap begunstigde haar weinig, en hare

droomen nog minder. ’s Morgens, toen jufvrouw Honour, hare kamenier, op

het gewone uur bij haar kwam, vond zij haar reeds op en gekleed.

Op het land worden menschen, die slechts op een uurtje afstands van ons

wonen, als buren beschouwd, en hetgeen in het ééne huis voorvalt, wordt

met ongeloofelijke snelheid in het andere overgebragt.

Jufvrouw Honour had dus het geheele verhaal van Molly’s schande

gehoord, hetwelk zij, zeer mededeelzaam van aard zijnde, zoodra zij in

de kamer trad, op de volgende wijze aan de jonge dame begon te

vertellen:

„Wel, jufvrouw! Neen, maar! zoo iets zoudt gij niet willen gelooven!

Het meisje, dat gij zondag in de kerk gezien hebt, en dat gij zoo mooi

vondt,—maar zóó mooi zoudt gij haar niet gevonden hebben, als gij haar

maar van wat digterbij gezien hadt,—is voor den vrederegter gebragt,

omdat zij bevallen moest! Ik zag dadelijk dat het eene onbeschaamde

feeks was! En zij heeft den jongen mijnheer Jones de schuld daarvan

gegeven! En iedereen zegt, dat mijnheer Allworthy zoo kwaad is op den

jongen heer, dat hij hem niet meer zien wil. ’t Is waarachtig om

medelijden te hebben met den armen jongen, hoewel hij eigenlijk geen

medelijden verdient, omdat hij zich met zulk een slet heeft willen

ophouden. Maar het is toch zulk een knappe jongen, dat het mij

ijsselijk spijten zou als hij op straat gezet werd. Ik zou wel durven

wedden, dat het meisje even veel schuld heeft als hij; want het is

altijd een onbeschaamd mensch geweest. En als de meisjes hun zoo te

gemoet komen, kan men het de jongens niet zoo erg kwalijk nemen; want

het is zeker, zij doen alleen wat de natuur hun ingeeft. Maar het is

beneden hunne waardigheid zich met zulke vuile deerns op te houden, en

dan verdienen ze ook het ergste wat hen overkomen kan. En toch zijn het

die leelijke meiden die de meeste schuld hebben. Ik wenschte van

ganscher harte, dat men ze allen door den beul liet geesselen; want het

is schande, dat zij een knap jong mensch ongelukkig zouden maken,—en

niemand zal loochenen dat mijnheer Jones een der mooiste jongens is,

die—”

Zij draafde op deze wijze door toen Sophia, op een meer knorrigen toon

dan waarop zij haar ooit te voren aangesproken had, riep:

„Hoe komt gij er toe mij met dergelijke zotheden op te houden? Wat gaat

mij de heer Jones aan? Ik verbeeld me, dat gij allen onderling gelijk

zijt. Het is alsof gij kwaad zijt, dat het niet met u gebeurd is!”

„Ik, jufvrouw?” hernam Honour. „Het spijt me zeer, dat de jufvrouw zulk

een min denkbeeld van mij heeft! Geen mensch zou zoo iets van mij

zeggen,—dat is zeker! Voor mijn part kunnen alle jonge heeren ter

wereld naar den drommel loopen! Omdat ik zeide dat hij een mooije

jongen was!—Dat zegt iedereen!—Wel! ik heb nooit geweten, dat er eenig

kwaad in zat, als men zeide, dat een jongen er goed uitzag! Maar ik zal

dat niet weer van hem zeggen,—van iemand die zoo leelijk handelt! Bah!

met zoo’n bedelaarskind!—”

„Houd op met uwe onbeschaamdheid!” riep Sophia, „en ga zien of mijn

vader klaar is om te ontbijten.”

Juffer Honour vloog nu de kamer uit, druk in zich zelve pratende, en

een heele boel zeggende, waarvan alleen: „Wel nou kom aan!” alles was,

wat hoorbaar bleef.

Of nu juffer Honour wezenlijk verdiende op die manier verdacht te

worden, zoo als hare meesteresse het zeide, is iets dat wij niet op ons

nemen kunnen voor den lezer te beslissen. Wij zullen dat echter

vergoeden door hem mede te deelen wat er in Sophia’s hart omging.

De lezer zal gelieven zich te herinneren dat deze jonge dame ongevoelig

eene geheime neiging voor Jones had opgevat. Die hartstogt was in de

diepte van haar boezem tamelijk vastgeworteld eer zij er zelve iets van

ontdekte. Toen zij de eerste sporen er van opmerkte, waren de

gewaarwordingen zoo heerlijk en zoet, dat zij de standvastigheid miste

om ze tegen te gaan, of ze te smoren, en zij was dus voortgegaan met

een hartstogt te koesteren, aan welks gevolgen zij niet eens gedacht

had.

Hetgeen er nu met Molly gebeurd was, opende haar voor het eerst de

oogen. Zij zag de zwakheid in waaraan zij zich schuldig had gemaakt, en

hoewel dit haar in een hevigen graad ontroerde, wekte het toch even als

andere onaangename geneesmiddelen, en verdreef tijdelijk de ziekte. De

werking was inderdaad verbazend snel en in den korten tusschentijd der

afwezigheid van de kamenier, waren alle ziekte-teekenen zoo volmaakt

geweken, dat toen juffer Honour haar bij haar vader kwam roepen, zij

volmaakt op haar gemak was en de meeste onverschilligheid voor den heer

Jones gevoelde.

De kwalen van den geest gelijken in bijna alle bijzonderheden op die

van het ligchaam,—om welke reden wij durven hopen, dat de geneeskundige

fakulteit ons vergeven zal als wij ons genoopt zagen gebruik te maken

van verscheidene woorden en phrases, die van regtswege haar

toebehooren;—maar zonder welke onze beschrijving op vele punten

onverstaanbaar zou gebleven zijn.

Nu is er geen ééne bijzonderheid, waarin de ziekten van den geest eene

grootere analogie hebben met die van het ligchaam, dan in de neiging

van beide om op nieuw uit te breken. Dit is zeer blijkbaar in de hevige

kwalen van eerzucht en gierigheid. Ik heb gezien dat de eerzucht aan

het hof, genezen door herhaalde teleurstellingen (welke het eenige

middel daartegen zijn), weer uitbrak in een twist over het

voorzitterschap eener Jury; en ik heb van een man gehoord, die in zoo

ver de gierigheid was te boven gekomen, dat hij menigen stuiver

wegschonk, en zich eindelijk op zijn sterfbed troostte met eene listige

en voordeelige overeenkomst te maken met een lijkbezorger, die de man

was zijner eenige dochter.

In de liefde, welke wij, ons streng aan de stoicijnsche leerbegrippen

houdende, hier als eene ziekte mogen beschouwen, is deze neiging om

weer uit te breken niet minder duidelijk. Dus ging het onze arme

Sophia, bij wie, de allereerste keer, dat zij den jongen Jones weder

zag, al de vroegere ziekteverschijnselen uitbraken, terwijl haar hart,

van dien tijd af, beurtelings door heete en koude koortsachtige

aandoeningen geschokt werd.

De toestand van deze jonge dame verschilde nu zeer van dien van

vroegere dagen. De hartstogt, welke vroeger zoo bekoorlijk en heerlijk

geweest was, werd nu tot een schorpioen in haar hart. Zij bood dus met

de meeste kracht er wederstand aan, en riep alle redenen op, die zij

bijeen kon brengen, om deze liefde te onderdrukken en te vernietigen.

Dit gelukte haar in zoo ver, dat zij begon te hopen door den tijd en de

afwezigheid volkomen genezen te worden. Zij besloot om Tom Jones zoo

veel mogelijk te mijden, en had al het voornemen opgevat om hare tante

te gaan bezoeken, waaraan zij niet twijfelde dat haar vader zijne

toestemming zou geven.

Maar het noodlot, dat andere plannen koesterde, verijdelde dit

voornemen door een ongeluk te doen plaats hebben, hetwelk in het

volgende hoofdstuk beschreven zal worden.

Tom Jones · 第 61 / 340 题