HOOFDSTUK XI.

MOLLY SEAGRIM ONTLOOPT TER NAAUWERNOOD HET GEVAAR; MET EENIGE

OPMERKINGEN, WAARNAAR WIJ IN DE DIEPTE VAN HET MENSCHELIJK HART HEBBEN

MOETEN VISSCHEN.

Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de

jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal

hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo

snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.

Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy

aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly

bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les

kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne

meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door

het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne

euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet

gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in

een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne

zedelijkheid bevordelijk kan zijn.

Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt

wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er

geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag

stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk

regtvaardig was, moet men hem in foro conscientiae vrijspreken; terwijl

er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen,

zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.

Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij

ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder

omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die

haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost

te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop

tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te

beven, verzocht hij hem, zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met

hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy),

daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had,

wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije

voeten gesteld zou worden.

De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch

dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn

verzoek toe.

Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy,

waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den

waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom

aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren,

bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen

zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en

in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval,

hij die voornamelijk dragen moest.

„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig

en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in

het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het

verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld

voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest

daaronder verpletterd te worden!”

„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor

het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u

af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam,

trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar

zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”

Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit

onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet

en, vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy, hen met zich

terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing

wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje

te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders,

om niet aan meer schimp en schande blootgesteld te worden dan haar

reeds nu noodzakelijk treffen moesten.

„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te

verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles

is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit

later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig

te betoonen.”

Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:

„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den

geregtsdienaar hier.”

Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.

Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid

zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te

lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek,

hetgeen hij aan Jenni Jones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk

is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen

indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in

zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins

doorbragt.

Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in

weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch

onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en

de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had.

Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van

waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij

als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke

nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede

landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in

zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen

ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt,

daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor

geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten

eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien

naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid,

verzwijg.

Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze eenige andere soort

van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij

geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder

helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter

ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid,

was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner

zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren

omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf

opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog,

kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.

Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, die onmiddellijk door den

jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.

Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel

koel:

„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te

zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die

jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze

gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer

zondigen zoude.”

Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de

leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone

verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.

Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar

hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook

middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.

De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den

patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd

werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer

Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.

Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met

iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en

edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede

heeft.

Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk, welken deze

verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer

Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd

was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij

Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets

volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en

verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit

hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had

gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou

moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.

Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de

gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging

te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.

„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik

me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen

te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die

overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar

hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het

verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille

der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het

verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen

hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare

edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den

jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te

verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het

meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet

edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins

billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te

noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid

der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden,

dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare

regels van het regte.”

Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken;

maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te waarschijnlijk om bepaaldelijk en

overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het

oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep

in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den

andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet

bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een

ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen

Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis

gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in

Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

Tom Jones · 第 60 / 340 题