HOOFDSTUK XIII.

EEN VERSCHRIKKELIJK ONGELUK, DAT SOPHIA OVERKOMT. DE MANHAFTIGE HOUDING

VAN TOM JONES, EN DE NOG VERSCHRIKKELIJKER GEVOLGEN VAN DIE HOUDING TEN

OPZIGTE DER JONGE DAME,—MET EENE KORTE AFWIJKING TER VERHEERLIJKING DER

VROUWEN.

De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag,

zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten;

daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken,

overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter

tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt

zou rijden.

Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn

verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar

het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te

komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare

gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want

door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te

gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te

stellen.

Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger

daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den

jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde

van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort

verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren

ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet

aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig

gevaar op het jagtveld te ontmoeten.

Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed,

en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western,

begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was,

vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in

groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op

zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloog onmiddellijk

haar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong hij van zijn paard af

en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met

zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door

Jones in de armen opgevangen werd.

Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat

was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich

bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets

deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.

„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond,

want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden

zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”

„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk

getroffen heeft?”

„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het

dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik

dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u

vreesde!”

Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”

„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst

verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u

door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje

hebben naar uw huis.”

Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing,

terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde

niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer

dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij

sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks

ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij

zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat

die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de

dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart

kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer

krachtigen hartstogt.

De heer Western, die een eindje vooruit gereden was, eer dit ongeluk

gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun

dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te

zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn

dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar

ongedeerd weer te zien, uitriep:

„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm

gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te

maken.”

Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met

zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg

ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat

Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij

verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te

hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western,

ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had,

was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.

Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper

te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart;

want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer

bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene

meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het

schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de

vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder

merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan

wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne

„Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De

zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de

vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan

lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt,

zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is

er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de

vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid

toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over

Helena), schrijft dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige

ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter

dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner

Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den

roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde

tot hem.

Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten

indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht

te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de

bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om

alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de

onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

Tom Jones · 第 62 / 340 题