EEN VERSCHRIKKELIJK ONGELUK, DAT SOPHIA OVERKOMT. DE MANHAFTIGE HOUDING
VAN TOM JONES, EN DE NOG VERSCHRIKKELIJKER GEVOLGEN VAN DIE HOUDING TEN
OPZIGTE DER JONGE DAME,—MET EENE KORTE AFWIJKING TER VERHEERLIJKING DER
VROUWEN.
De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag,
zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten;
daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken,
overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter
tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt
zou rijden.
Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn
verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar
het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te
komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare
gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want
door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te
gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te
stellen.
Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger
daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den
jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde
van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort
verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren
ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet
aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig
gevaar op het jagtveld te ontmoeten.
Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed,
en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western,
begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was,
vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in
groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op
zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloog onmiddellijk
haar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong hij van zijn paard af
en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met
zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door
Jones in de armen opgevangen werd.
Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat
was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich
bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets
deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.
„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond,
want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden
zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”
„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk
getroffen heeft?”
„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het
dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik
dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u
vreesde!”
Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”
„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst
verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u
door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje
hebben naar uw huis.”
Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing,
terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde
niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer
dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij
sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks
ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij
zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat
die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de
dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart
kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer
krachtigen hartstogt.
De heer Western, die een eindje vooruit gereden was, eer dit ongeluk
gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun
dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te
zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn
dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar
ongedeerd weer te zien, uitriep:
„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm
gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te
maken.”
Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met
zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg
ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat
Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij
verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te
hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western,
ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had,
was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.
Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper
te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart;
want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer
bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene
meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het
schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de
vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder
merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan
wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne
„Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De
zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de
vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan
lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt,
zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is
er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de
vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid
toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over
Helena), schrijft dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige
ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter
dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner
Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den
roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde
tot hem.
Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten
indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht
te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de
bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om
alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de
onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.