EEN VERHAAL, GEDAAN DOOR DEN PREDIKANT, DEN HEER SUPPLE. HET DOORZIGT
VAN DEN HEER WESTERN. ZIJNE GROOTE LIEFDE TOT ZIJNE DOCHTER, EN HOE DIE
VERGOLDEN WERD.
Den volgenden morgen ging Tom Jones op de jagt met den heer Western en
werd bij de tehuiskomst door dien heer genoodigd om te blijven eten.
De schoone Sophia schitterde dien dag met meer dan gewone vrolijkheid
en opgeruimdheid. Hare batterijen waren zeker tegen onzen held gerigt,
hoewel ik geloof, dat zij het zelve niet wist; maar indien zij eenig
voornemen koesterde om hem te bekoren, is het zeker, dat haar dat nu
gelukte.
De heer Supple, de predikant van de gemeente van den heer Allworthy,
was onder het gezelschap. Het was een goedaardig, waardig mensch,
voornamelijk bekend wegens zijn stilzwijgen aan tafel, hetgeen echter
niet zeggen wil dat hij den mond niet open deed. Met één woord, hij
bezat den besten eetlust ter wereld. Zoodra echter het dessert op tafel
was, haalde hij zijn schade weder in; want hij was zeer gezellig van
aard, en hetgeen hij vertelde, was dikwerf zeer vermakelijk en nooit
aanstootelijk.
Bij zijne komst, juist op het oogenblik dat het vleesch op tafel gezet
werd, had hij te kennen gegeven, dat hij iets nieuws te vertellen had,
en was pas begonnen met te zeggen, dat hij regtstreeks van het huis van
den heer Allworthy kwam, toen het gezigt van het gebraden ossenvleesch
hem deed verstommen, hem alleen kracht genoeg latende om te bidden, en
te verklaren dat hij nu eerst zijne hulde aan de spijzen moest
bewijzen.
Na het eten, toen Sophia hem aan zijn nieuws herinnerde, begon hij als
volgt:
„Ik denk, mejufvrouw, dat gij gisteren in de namiddag dienst, een
meisje in de kerk opgemerkt zult hebben, uitgedost in een uwer
uitheemsche gewaden;—ten minste, ik verbeeld u zoo iets te hebben zien
dragen. Evenwel zijn dergelijke kleeren hier buiten:
„Rara avis in terris nigroque simillima cygno,”
wat zeggen wil, mejufvrouw: „Een zeldzame vogel op aarde, als ’t ware
een zwarte zwaan.”
„Dit is een gezegde van Juvenalis. Maar ik keer tot mijn onderwerp
terug. Ik zeide, dat dergelijke kleeren iets zeldzaams hier zijn, en
misschien viel dit te meer in het oog, omdat zij die het droeg niemand
anders was, naar men mij vertelt, dan eene der dochters van uw jager,
den Zwarten George, wiens ongelukken, dunkt me, hem hadden moeten
leeren verstandiger te zijn, dan om zijne meisjes zoo bont op te
schikken. Zij veroorzaakte zulke drukte in de kerk, dat als de heer
Allworthy geene stilte verkregen had, de dienst gestoord zou zijn
geworden; want, eens, te midden van het eerste gebed, was ik op het
punt van uit te scheiden. Evenwel, na kerktijd, en toen ik al naar huis
gegaan was, gaf dit aanleiding tot een strijd op het kerkhof, waar,
onder andere ongelukken, een reizende muzijkant nog al zwaar aan het
hoofd gewond werd. Heden morgen kwam die vent bij mijnheer Allworthy
klagen en het meisje werd door hem gedagvaard. Hij wilde echter de zaak
bijleggen, toen, zie daar! (Ik moet uwe vergiffenis vragen, jufvrouw,
dat ik in uw bijzijn van dergelijke zaken spreken moet),—het meisje op
het punt scheen van te bevallen. De heer Allworthy vroeg naar den vader
van het kind; maar zij weigerde standvastig eenig antwoord te geven,
zoo dat hij op het punt stond van haar naar de gevangenis te zenden,
toen ik het huis verliet.”
„En bestaat nu al het nieuws, dat ge ons te vertellen hadt, daarin, dat
een meisje een onecht kind krijgt?” riep Western. „Ik had me verbeeld
dat ge ons eene belangrijke zaak, die het heil der natie aanging, te
melden hadt.”
„Ik vrees inderdaad, dat zoo iets maar al te dikwerf voorkomt,” hernam
de geestelijke, „om als iets bijzonders aangemerkt te worden; maar ik
achtte het toch de moeite waard om het hier te vertellen. Wat de
algemeene belangen aangaat,—die kent gij, mijnheer, beter dan ik. Ik
bemoei me met niets dan mijne eigene gemeente.”
„Nu, ja” hernam de gastheer; „het is wel waar dat ik op de hoogte ben
van het een en het ander, zoo als gij zegt; maar, komaan, Tom! drink
eens uit! De flesch staat naast u!”
Tom verzocht verschoond te worden, daar hij iets dringends te doen had,
en van tafel opstaande, ontsnapte hij uit de handen van den gastheer,
die opstoof om hem vast te houden, en liep weg met zeer weinige
pligtplegingen.
Western zond hem een vloek achterna, en zich daarop tot den dominé
wendende, riep hij uit:
„Daar ben ik achter! Daar ben ik achter! Tom is zeker de vader van het
kind! Wat drommel, dominé, ge weet wel hoe hij mij haar vader opdrong!
Wel verdraaid! ’t Is een sluwe rakkert! Ja, ja, zoo zeker als twee maal
twee vier is, is hij de vader van het kind!”
„Dat zou me toch spijten,” zei de geestelijke.
„Je spijten?” riep Western. „En waarom? Wat! Wilt ge me doen gelooven,
dat jou zelven nooit zoo iets overkomen is? Wel! Dan is dat meer geluk
dan wijsheid; want verdiend hebt ge het zeker wel honderdmaal!”
„Ge gelieft te schertsen, mijnheer,” hernam de predikant; „maar ik
spreek niet slechts van de zondige daad,—hoe berispenswaardig die ook
zij,—ik vrees tevens dat zoo iets hem zeer benadeelen zou bij mijnheer
Allworthy. En waarlijk, hoewel hij den naam heeft van wat onnadenkend
te zijn, ik heb nooit eenig kwaad in den jongeling gezien,—en heb ook
geen kwaad van hem gehoord,—dan hetgeen gij, mijnheer, nu zelf van hem
vermoedt. Ik wilde wel, dat hij iets geregelder was in zijn bezoeken
van de kerk, maar over het algemeen schijnt hij:
„Ingenui vultus puer, ingenuique pudoris.”
„Dat is eene klassieke aanhaling, mejufvrouw, en beteekent zoo veel
als: „een jongen van een argeloos uiterlijk en eene onschuldige
zedigheid,” eene deugd, die evenzeer geacht werd door de Latijnen als
de Grieken. Ik moet zeggen dat de jonge heer,—want in weerwil zijner
afkomst mag ik hem zoo noemen,—mij een zeer bescheidene, beleefde
jongen toeschijnt, en het zou mij zeer spijten als hij iets deed, dat
hem in de meening van den heer Allworthy benadeelen kon.”
„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf
houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom
eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy
aan de akademie!”
„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest
was.”
„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens
zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij
vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad
doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij
niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid,
gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een
buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar
des te aardiger vinden!”
Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe
Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met
zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te
denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart
verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest
was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot
belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van
haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij
haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar,
om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus
van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was
om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren
alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten
ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te
onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht
werd door den predikant.
Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer
belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit de couranten en
politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als
plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de
gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard
steeg en naar huis reed.
Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij
zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor
dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk
geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee
malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het
gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare
wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo
dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn;
want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens
hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit
niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer
vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der
kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia
hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop
eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe,
verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik
geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk
van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat
ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”
Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet
smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de
verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel
te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet
zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne
oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch.
Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme
man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te
ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de
buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.