BEVATTENDE ZAKEN VAN GEEN ZEER VREEDZAMEN AARD.

Molly was naauwelijks weder in hare dagelijksche lompen gehuld, of zij

had een hevigen aanval te verduren van hare zusters;—vooral van de

oudste, die haar zeide, dat zij niet meer dan haar verdiende loon

gekregen had.

„Hoe durft gij u te vermeten eene japon te dragen, die jufvrouw Western

aan moeder gegeven had? Als eene van ons ze droeg,” riep zij, „dan zou

ik het meeste regt er op hebben, denk ik; maar gij zult u wel

verbeelden, dat die u toekomt wegens uw mooi gezigt! Ge zult wel

veronderstellen dat gij mooijer zijt dan ééne van ons!”

„Geef haar eens eventjes dat stukje spiegelglas van boven de kast,”

riep eene andere; „ik zou het bloed van mijn gezigt gaan wasschen, eer

ik van schoonheid sprak!”

„Ge zoudt beter gedaan hebben met meer naar den dominé te luisteren,”

zei de oudste, „en minder naar de mannen!”

„Dat is wezenlijk waar, kind,” riep de moeder snikkende; „zij heeft ons

allen schande aangebragt. Zij is de eerste van de familie, die zich

ooit slecht gedroeg.”

„Dat hoeft gij me niet te verwijten, moeder,” hernam Molly; „ge waart

zelve nog geene week getrouwd, toen ge van zuster dáár bevielt!”

„Ja, spook!” riep de vertoornde moeder, „dat is zoo; maar wat doet dat

er toe? Ik werd weder tot eene eerlijke vrouw gemaakt door mijn

huwelijk,—en als gij ooit weder tot eene eerlijke vrouw kondt gemaakt

worden, zou het mij niet zoo boos maken. Maar gij, gemeene feeks, gij

legt het met de groote heeren aan! Gij zult een bastaard krijgen, dat

zult ge,—en dat kan geen mensch van mij zeggen!”

Het was in dezen toestand dat de Zwarte George zijn huisgezin vond,

toen hij met het reeds gemelde doel naar huis kwam.

Daar zijne vrouw met hare drie dochters allen te gelijk schreeuwden, en

gedeeltelijk ook weenden, duurde het een tijdlang eer hij zich kon doen

verstaan; maar zoodra hem dat gelukte, maakte hij de aanwezigen bekend

met hetgeen Sophia hem voorgesteld had.

Vrouw Seagrim begon nu op nieuw hare dochter uit te schelden.

„Daar!” zeide zij. „Ge hebt ons in een leelijk parket gebragt, dat is

zeker! Wat zal de jufvrouw zeggen van zoo’n dikken buik? O, dat ik ooit

dien dag beleven moest!”

Molly echter vroeg, met veel moed: „En wat is dat voor eene mooije

plaats, die ge voor me gekregen hebt, vader?” (want zij had niet best

begrepen wat Sophia gezegd had van haar bij zich zelve te nemen). „’t

Zal wel zijn om onder de keukenmeid te staan; maar ik wil voor niemand

ter wereld de schotels en borden omspoelen! Mijn mijnheer zal beter

voor mij zorgen! Zie wat hij me heden middag gaf; hij heeft beloofd dat

ik nooit aan iets gebrek zal lijden, moeder en gij zult ook geen gebrek

aan geld hebben, als gij maar weet te zwijgen en te begrijpen wat goed

voor u is.”

Met deze woorden haalde zij verscheidene goudstukken te voorschijn en

gaf er hare moeder één.

De goede vrouw had naauwelijks de aanraking van het goud gevoeld, of

hare drift begon te bekoelen,—zoo groot is de magt van dat algemeene

geneesmiddel.

„Wel, man!” zeide zij. „Geen mensch dan zoo’n domkop als gij zijt, zou

eene dienst van dien aard aangenomen hebben, zonder er meer van te

weten! Misschien, gelijk Molly zegt, zou het in de keuken zijn, en

waarachtig, ik verkies niet, dat mijne dochter daar het slavenwerk doe!

Want, hoe arm ook, ik blijf toch fatsoenlijke vrouw. En hoewel ik

genoodzaakt was, (omdat mijn vader, de dominé, minder dan niemendal bij

zijn dood naliet, en me dus geen duit meêgeven kon), onder mijn stand

te trouwen door zoo’n armen kerel als gij zijt tot man te nemen, wilde

ik toch wel, dat gij u herinnerdet, dat ik eigenlijk boven dergelijke

gemeenheden verheven ben. Wel ja! Het zou gepaster zijn voor jufvrouw

Western hare eigene afkomst niet te vergeten en zich te herinneren wie

haar grootvader was! ’t Is best mogelijk, dat sommige menschen van

mijne familie in hun eigen koets reden, terwijl de grootvaders van

anderen te voet liepen! Zij zal zich zeker verbeelden dat zij iets heel

moois deed, toen zij ons die oude japon zond; sommige leden van mijne

familie zouden zoo iets op straat niet willen oprapen! Maar zoo gaat

het altijd! De armen moeten maar vertrapt worden! De menschen hadden

zich niet zoo boos op Molly behoeven te maken! Ge hadt hun moeten

zeggen, kind, dat uwe grootmoeder nog kostbaarder gekleed ging,—alles

nieuw uit den winkel!”

„Maar denk er eens over wat ik aan de jufvrouw zeggen moet,” riep

George.

„Ik weet niet wat ge zeggen moet,” hernam de moeder. „Ge brengt uwe

heele familie telkens in allerlei bezwaren. Herinnert ge u nog den

patrijs, dien ge schoot? Was dat niet de aanleiding tot al onze

ellende? Had ik u niet aangeraden nooit op de jagt van mijnheer Western

te komen? Heb ik u niet jaren geleden voorspeld, wat er van komen zou?

Maar ge wildet altijd uw eigen zin hebben,—ja dat is zoo! Gij gemeene

kerel!—”

De Zwarte George was over het algemeen een vreedzaam mensch, en niet

bepaald driftig of heethoofdig; maar hij was eenigzins tot toorn

geneigd, gelijk men zegt, wat zijne vrouw, als zij met iets meer

wijsheid begaafd ware geweest, ontzien zou hebben. Hij had ook al lang

geleden de ondervinding opgedaan, dat als de storm zeer hoog liep,

redeneringen slechts gelijk waren aan de winden, die eerder dienen om

hem aan te wakkeren dan om hem te doen verminderen. Hij was dus meestal

voorzien van een stokje,—een geneesmiddel van wonderbaarlijke kracht,

zooals hem dikwijls gebleken was, en het woord „gemeene kerel” vatte

hij op als een wenk om het toe te passen.

Zoodra hij dit woord dus vernam, nam hij zijne toevlugt tot gezegd

middel, en hoewel het, zooals gewoonlijk het geval is met alle zeer

krachtige middelen, in den beginne de kwaal scheen te verergeren,

veroorzaakte het spoedig eene groote kalmte, en bragt de zieke volkomen

tot rust en vrede.

Dit is echter een soort van paardenmiddel, dat alleen toegepast kan

worden op een zeer sterk gestel, en daarom alleen goed voor het gemeene

volk, met ééne uitzondering echter, namelijk, waar er van meerderheid

van afkomst sprake is. In dit geval zouden wij het niet ongepast

achten, dat ieder echtgenoot het toepaste, indien niet de toepassing op

zich zelve zoo verachtelijk ware, dat ze, even als sommige andere

geneeskundige operatiën, welke niet nader vermeld behoeven te worden,

de hand, die daartoe gebezigd wordt, zoodanig besmet en bezoedelt, dat

geen fatsoenlijk man aan zoo iets laags en verachtelijks denken kan.

De geheele familie werd dus spoedig tot rust gebragt; want de werking

van dit geneesmiddel, even als die der electriciteit, wordt dikwijls

medegedeeld door één persoon aan velen, die door het werktuig zelf niet

aangeraakt worden. En daar beide door middel van wrijving werken, mag

men wel vragen, of er niet eenige analogie tusschen beide bestaat,

waarnaar de heer Freke wèl zou doen een onderzoek in te stellen, eer

hij eene nieuwe uitgave van zijn boek bezorgt.

Een raad werd nu belegd, waarin men, na veel heen en weer praten, daar

Molly volhield, dat zij niet wilde uitgaan dienen, eindelijk besloot

dat vrouw Seagrim zelve hare opwachting bij Sophia zou maken, en

trachten de dienst voor hare oudste dochter te krijgen, die zich zeer

gereed toonde ze aan te nemen; maar het noodlot, dat een bepaalde

vijand van deze kleine familie scheen te zijn, belette spoedig dat het

meisje deze bevordering kreeg.

Tom Jones · 第 58 / 340 题