HOOFDSTUK III.

WAARIN DE GESCHIEDENIS TERUG GAAT, OM EENE KLEINE GEBEURTENIS TE

VERMELDEN, DIE EENIGE JAREN VROEGER VOORVIEL, EN HOE GERING OOK, ZEKERE

GEVOLGEN HAD IN DE TOEKOMST.

De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in

haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar

dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom

Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.

Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige

vroegere zaken noodzakelijk wezen.

Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer

Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij

toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de

jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden,

en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar

speelden.

De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde

houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij

eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die

hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig

ongenoegen daarover betoond zou hebben.

Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet

blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te

peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner

vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren,

alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.

Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot

ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk

boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer

Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van

Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te

vinden.

Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een vogeltje

geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had

leeren zingen.

Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was,

zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen,

en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de

kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand

zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag,

waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan

een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg

te vliegen.

Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den

heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine

Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het

vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te

vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige

voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij

naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den

vogel in de lucht.

Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of

al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het

dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.

Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat

Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.

Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil,

dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk

den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel

gevlugt was.

Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen

de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de

arme jongen hals over kop in het water plofte.

Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de

jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te

voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner

longen.

Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde het geschreeuw

en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom

(daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan

land gekomen.

Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het

water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende

geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:

„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”

De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen

ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik

had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme

schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het

die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te

sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur,

volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs

onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons

geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er

zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit

gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf

overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water

viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken

havik gepakt.”

De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen

lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat

daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer

Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner

vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een

hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een

onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te

zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou

krijgen.

Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis

gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch

terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat

wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.

Tom Jones · 第 49 / 340 题