EEN GERING BLIJK VAN HETGEEN WAARTOE WIJ IN STAAT ZIJN IN DEN VERHEVEN
SCHRIJFTRANT, EN EENE BESCHRIJVING VAN MEJUFVROUW SOPHIA WESTERN.
Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden
de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus
van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete
Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen
hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker
bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met
de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij,
haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene
veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het
geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar
wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.
Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde koorzangers
der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt
de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde
ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den
zoeten hartstogt op in elken herder;—want, ziet! versierd met al de
bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met
schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid,
geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de
schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!
Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij
ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court!
Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en
al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of,
zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters
gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier
namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden
opvullen.
Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde
antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf,
die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder
te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt
te gevoelen, dan hebt gij geen hart.
En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder
u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van
dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret
van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op
de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand,
wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar
herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia
vormen.
Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de
meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven,
hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn
voor die taak.
Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare
grootte, maar eerder groot dan klein. Hare gestalte was niet slechts
onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen
getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar
donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer
zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige
krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het
echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat
minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat,
zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen
waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen
kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid
van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt
regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden,
beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de
volgende regels:
„Haar lippen waren rond, en dun de een
Aanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheen
Gestoken door een bij.—”
De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was
een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg
zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk
te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het
eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de
roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke
kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had
men met Dr. Donne kunnen uitroepen:
—————„Op hare wangen sprak
Haar edel bloed met onmiskenbre macht,
Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.”
Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare
kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste
bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was
eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast,
geëvenaard kan worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste
batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de
stof zelve. Inderdaad:
„Nitor splendens Pario marmore purius.”
„Schitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch
marmer.”
Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene
even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar
uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan
den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare
zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste
gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene
volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen
in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste
betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze
hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen
voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het
genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.
Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de
natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door
de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die
eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare
jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit
verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door
hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed
was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men
alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den
beschaafden kring” noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit
voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden
heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere
hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet
juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door
de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid
zijn er nooit om verlegen.