HOOFDSTUK II.

EEN GERING BLIJK VAN HETGEEN WAARTOE WIJ IN STAAT ZIJN IN DEN VERHEVEN

SCHRIJFTRANT, EN EENE BESCHRIJVING VAN MEJUFVROUW SOPHIA WESTERN.

Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden

de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus

van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete

Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen

hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker

bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met

de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij,

haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene

veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het

geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar

wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.

Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde koorzangers

der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt

de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde

ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den

zoeten hartstogt op in elken herder;—want, ziet! versierd met al de

bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met

schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid,

geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de

schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!

Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij

ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court!

Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en

al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of,

zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters

gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier

namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden

opvullen.

Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde

antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf,

die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder

te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt

te gevoelen, dan hebt gij geen hart.

En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder

u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van

dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret

van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op

de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand,

wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar

herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia

vormen.

Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de

meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven,

hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn

voor die taak.

Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare

grootte, maar eerder groot dan klein. Hare gestalte was niet slechts

onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen

getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar

donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer

zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige

krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het

echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat

minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat,

zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen

waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen

kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid

van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt

regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden,

beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de

volgende regels:

„Haar lippen waren rond, en dun de een

Aanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheen

Gestoken door een bij.—”

De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was

een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg

zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk

te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het

eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de

roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke

kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had

men met Dr. Donne kunnen uitroepen:

—————„Op hare wangen sprak

Haar edel bloed met onmiskenbre macht,

Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.”

Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare

kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste

bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was

eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast,

geëvenaard kan worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste

batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de

stof zelve. Inderdaad:

„Nitor splendens Pario marmore purius.”

„Schitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch

marmer.”

Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene

even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar

uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan

den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare

zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste

gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene

volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen

in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste

betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze

hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen

voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het

genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.

Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de

natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door

de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die

eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare

jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit

verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door

hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed

was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men

alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den

beschaafden kring” noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit

voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden

heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere

hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet

juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door

de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid

zijn er nooit om verlegen.

Tom Jones · 第 48 / 340 题