HOOFDSTUK IV.

BEVATTENDE ZULKE GELEERDE EN ERNSTIGE ZAKEN, DAT HET WELLIGT NIET NAAR

DEN SMAAK VAN SOMMIGE LEZERS ZAL ZIJN.

Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy

wendde en aldus begon:

„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op

een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben

van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet

te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij,

schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles

regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken

ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch

helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige

orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen,

dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien

van den eersten of den tweeden Brutus.”

Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn

stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:

„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op

veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts

klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig

regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen

dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden,

zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn

onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”

„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze

gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het

tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt

ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen

regt of onregt.”

„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik

met een deïst of een atheïst?”

„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten!

Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn

gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven;

en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in

dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg

groot brengen.”

Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan

had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder

uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij

voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de

eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was

duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat

de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf

bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld,

kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de

handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een

kind te vergeven zou zijn.

Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te

zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren

berispen. Hij hernam dus met eenige drift:

„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen

omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en

verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten

blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels

te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid

te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”

„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum,

„dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche

schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben!

Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne

leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken

onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen

toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen moet. Daar is uw

discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat

geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste

was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer

leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”

„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie

leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en

regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik

verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe

jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke

regtvaardigheid uit te roeijen!”

Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik

durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te

worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorg

gedragen hem zulke grondbeginselen in te prenten—”

„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders

dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest

kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de

vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig

te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat

denkbeeld bezield te hebben.”

„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er

op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de

drijfveer van zijne handeling opgaf.”

„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd

mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne

patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen

deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in

vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel

zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de

advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”

De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er

kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch

toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot de ferae naturae

behoort, wordt evenwel, wanneer hij eenmaal aan een eigenaar

toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het

geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar

hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde,

beschouwd worden als nullius in bonis. In dit geval, zou de eischer

niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden

eenigen eisch van dien aard in te stellen.”

„Nu” zei de gastheer, „als het nullus bonus is, laat ons dan maar

voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar

we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets

begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn

part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt

geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof

verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen

alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om

dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen

houden tot den laatsten dag van mijn leven!”

Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig

hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en

de twee strijders mede genomen had.

Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek

dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer

mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe

onze geschiedenis nu gekomen is.

Tom Jones · 第 50 / 340 题