BEVATTENDE ZULKE GELEERDE EN ERNSTIGE ZAKEN, DAT HET WELLIGT NIET NAAR
DEN SMAAK VAN SOMMIGE LEZERS ZAL ZIJN.
Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy
wendde en aldus begon:
„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op
een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben
van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet
te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij,
schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles
regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken
ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch
helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige
orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen,
dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien
van den eersten of den tweeden Brutus.”
Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn
stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:
„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op
veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts
klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig
regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen
dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden,
zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn
onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”
„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze
gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het
tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt
ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen
regt of onregt.”
„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik
met een deïst of een atheïst?”
„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten!
Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn
gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven;
en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in
dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg
groot brengen.”
Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan
had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder
uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij
voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de
eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was
duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat
de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf
bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld,
kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de
handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een
kind te vergeven zou zijn.
Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te
zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren
berispen. Hij hernam dus met eenige drift:
„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen
omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en
verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten
blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels
te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid
te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”
„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum,
„dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche
schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben!
Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne
leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken
onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen
toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen moet. Daar is uw
discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat
geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste
was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer
leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”
„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie
leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en
regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik
verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe
jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke
regtvaardigheid uit te roeijen!”
Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik
durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te
worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorg
gedragen hem zulke grondbeginselen in te prenten—”
„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders
dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest
kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de
vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig
te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat
denkbeeld bezield te hebben.”
„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er
op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de
drijfveer van zijne handeling opgaf.”
„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd
mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne
patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen
deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in
vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel
zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de
advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”
De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er
kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch
toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot de ferae naturae
behoort, wordt evenwel, wanneer hij eenmaal aan een eigenaar
toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het
geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar
hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde,
beschouwd worden als nullius in bonis. In dit geval, zou de eischer
niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden
eenigen eisch van dien aard in te stellen.”
„Nu” zei de gastheer, „als het nullus bonus is, laat ons dan maar
voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar
we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets
begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn
part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt
geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof
verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen
alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om
dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen
houden tot den laatsten dag van mijn leven!”
Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig
hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en
de twee strijders mede genomen had.
Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek
dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer
mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe
onze geschiedenis nu gekomen is.