Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus
onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn,
geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en
welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van
den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo
moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te
vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter
schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer
evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld
moet gaan van een stevig glas bier:
„Terwijl het glas met ale bij het vrolijk drinkgelag
’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”
Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of
welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen
omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook
de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den
geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de
beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de
reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had,
was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij
zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.
Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier
geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te
baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden,
beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen,
inderdaad, om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens
als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed
als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van
dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken
iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid
door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een
courant in vele boekdeelen.
Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij
de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze
op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon
zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige
persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van
dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast
geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest
te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur
konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te
regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze
ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden
nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de
hoofdpersonen.
Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan,
ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken,
en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den
blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een
trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar
optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de
toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen
en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel
hen waarschijnlijk wiegen zal.
En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der
dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want
behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held
aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene
heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk
die geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende
tooneelverhaaltje opmaken.
De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de
komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar
de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet
opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn
mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten
wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven.
Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de
timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst
heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig
ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.
Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer
waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen
neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien.
Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel
van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft
aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet
nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene
bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken
ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in
een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om
hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid
gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar
één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de
heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een
krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te
strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden
zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou
den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen
zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der
godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die
haar ambt op zich genomen had.
Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en daarom kunnen
diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij
verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen
veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest
mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl
en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den
lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen
onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te
lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook
het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de
natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die
overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die
volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke
volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.
En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk
over.