HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE EENE VEEL SCHANDELIJKER GEBEURTENIS, MET DE AANMERKINGEN VAN

THWACKUM EN SQUARE.

Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor

wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.

Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het

ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want

de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt.

Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen

had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten

tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer

Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze

besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht,

hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor

het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet

wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem

dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo

goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al

hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.

Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen

in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te

zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg,

gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in

lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook

dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te

leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het

boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de

jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.

Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij

heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus

onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte

hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze,

naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in

de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de

kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.

Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene

zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere

verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens

goddelijke en menschelijke instellingen, en dus was er niets ongepast

in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze

gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die

uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die

zij kende.

Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den

geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het

punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil,

die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok

zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer

geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen,

dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want

dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke

beide uit den tempel gedreven moesten worden.

Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een

einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid

gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om

voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van

verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de

jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak

voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te

beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.

Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer

Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer

dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen

vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te

grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem

weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den

jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene

listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar

de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al

de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding

den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones

gekregen hadden, dat was bijna geheel en al door oude schulden

verslonden.

Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van

den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken

en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw

barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte

kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die,

gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard

had.

„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk

dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”

En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een

nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige

huisgezin opgeofferd.

Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de

ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den

Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer

Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was

voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om

hem en zijne familie verder te bezorgen.

Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker

was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl

ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar

even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich

slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want

het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den

vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.

Tom Jones · 第 43 / 340 题