BEVATTENDE EENE VEEL SCHANDELIJKER GEBEURTENIS, MET DE AANMERKINGEN VAN
THWACKUM EN SQUARE.
Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor
wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.
Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het
ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want
de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt.
Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen
had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten
tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer
Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze
besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht,
hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor
het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet
wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem
dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo
goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al
hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.
Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen
in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te
zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg,
gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in
lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook
dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te
leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het
boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de
jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.
Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij
heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus
onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte
hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze,
naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in
de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de
kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.
Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene
zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere
verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens
goddelijke en menschelijke instellingen, en dus was er niets ongepast
in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze
gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die
uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die
zij kende.
Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den
geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het
punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil,
die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok
zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer
geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen,
dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want
dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke
beide uit den tempel gedreven moesten worden.
Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een
einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid
gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om
voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van
verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de
jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak
voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te
beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.
Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer
Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer
dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen
vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te
grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem
weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den
jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene
listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar
de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al
de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding
den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones
gekregen hadden, dat was bijna geheel en al door oude schulden
verslonden.
Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van
den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken
en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw
barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte
kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die,
gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard
had.
„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk
dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”
En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een
nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige
huisgezin opgeofferd.
Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de
ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den
Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer
Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was
voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om
hem en zijne familie verder te bezorgen.
Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker
was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl
ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar
even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich
slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want
het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den
vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.