EEN KINDERACHTIG VOORVAL, WAARUIT MEN ECHTER HET GOEDAARDIGE KARAKTER
VAN TOM JONES ZIEN KAN.
De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit
gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze
schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.
Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene
naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.
Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze,
waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en
verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.
„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig
uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige
twijfel bestond, naar berigten zocht.
Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was
voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad,
den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar
een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag
deed als Thwackum.
Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien
tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden
zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne
wreedheden te betalen.
De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en
oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer
zijne aan den dag gelegde wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele
verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem
vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen
of beschermen.
Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar
berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want
hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke
gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer
Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over
zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht
hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:
„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter
wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven
haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het
hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen,
hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog
prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het
ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter
wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht
hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo
zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de
rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij
dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer,
ongelukkiger menschen dan die—”
„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”
„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze
door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon
echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en
terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun
lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord
van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en
hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden,
dat ik scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne
ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun
àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”
De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak
welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht
verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in
gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone
hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.
Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en
Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy,
wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te
straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld
milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van
God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en
dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij,
op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te
bevelen.
Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te
opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die,
hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat
hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat
de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten
kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het
viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet
afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.