HOOFDSTUK VIII.

EEN KINDERACHTIG VOORVAL, WAARUIT MEN ECHTER HET GOEDAARDIGE KARAKTER

VAN TOM JONES ZIEN KAN.

De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit

gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze

schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.

Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene

naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.

Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze,

waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en

verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.

„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig

uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige

twijfel bestond, naar berigten zocht.

Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was

voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad,

den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar

een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag

deed als Thwackum.

Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien

tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden

zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne

wreedheden te betalen.

De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en

oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer

zijne aan den dag gelegde wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele

verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem

vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen

of beschermen.

Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar

berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want

hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke

gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer

Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over

zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht

hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:

„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter

wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven

haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het

hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen,

hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog

prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het

ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter

wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht

hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo

zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de

rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij

dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer,

ongelukkiger menschen dan die—”

„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”

„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze

door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon

echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en

terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun

lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord

van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en

hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden,

dat ik scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne

ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun

àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”

De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak

welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht

verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in

gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone

hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.

Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en

Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy,

wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te

straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld

milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van

God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en

dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij,

op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te

bevelen.

Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te

opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die,

hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat

hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat

de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten

kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het

viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet

afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.

Tom Jones · 第 42 / 340 题