WAARIN DE JONGE HEER BLIFIL EN TOM ZICH IN EEN ZEER VERSCHILLEND LICHT
DOEN ZIEN.
De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de
beminnelijke hoedanigheid van het medelijden; maar hij overtrof hem
daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is,
en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square
volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten,
was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als
onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de
geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel
overlaten.
Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de
voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze,
waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de
andere helft vernietigd zou hebben.
De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones,
kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen,
dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden
besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij
den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als
volgt:
De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den
heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had
aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas
ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western
toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze
met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de
wetten van het land en met die der jagt.
De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele
maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den
heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen
wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem
uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en
die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon
bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al
dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne
beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de
gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien eene
enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder
onderzoek.
Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het
waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver
is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener
te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd
was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige
gebruik van het woord hazen in plaats van haas, maakte hij een groot
verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te
vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de
jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte
van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu
werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich
te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas
gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer
Allworthy aan het overige van het verhaal niet.
Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer
Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden
had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij
gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn
huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat
van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen
hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld
ter wereld wilde schenden.
Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer
Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen
heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet
afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den
armen man van den ondergang te redden.
Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer
Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn
stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die
heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij
slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een
begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat
hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het
geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.
Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den
landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel
en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het
kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook
even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij
besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn
vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western
hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den
heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat
was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige
zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de
onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den
jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig
vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken
door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.
Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western,
eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar
vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven
alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen
invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar.
Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene
dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele
onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet
gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen
optreden.