HOOFDSTUK X.

WAARIN DE JONGE HEER BLIFIL EN TOM ZICH IN EEN ZEER VERSCHILLEND LICHT

DOEN ZIEN.

De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de

beminnelijke hoedanigheid van het medelijden; maar hij overtrof hem

daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is,

en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square

volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten,

was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als

onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de

geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel

overlaten.

Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de

voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze,

waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de

andere helft vernietigd zou hebben.

De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones,

kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen,

dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden

besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij

den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als

volgt:

De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den

heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had

aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas

ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western

toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze

met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de

wetten van het land en met die der jagt.

De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele

maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den

heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen

wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem

uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en

die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon

bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al

dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne

beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de

gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien eene

enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder

onderzoek.

Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het

waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver

is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener

te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd

was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige

gebruik van het woord hazen in plaats van haas, maakte hij een groot

verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te

vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de

jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte

van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu

werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich

te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas

gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer

Allworthy aan het overige van het verhaal niet.

Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer

Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden

had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij

gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn

huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat

van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen

hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld

ter wereld wilde schenden.

Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer

Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen

heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet

afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den

armen man van den ondergang te redden.

Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer

Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn

stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die

heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij

slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een

begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat

hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het

geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.

Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den

landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel

en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het

kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook

even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij

besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn

vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western

hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den

heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat

was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige

zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de

onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den

jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig

vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken

door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.

Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western,

eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar

vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven

alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen

invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar.

Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene

dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele

onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet

gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen

optreden.

Tom Jones · 第 44 / 340 题