Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht
licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het
oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde,
welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur,
welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn
nadeel.
Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy
bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed
bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met
geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden
in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en
welwillendheid te verwerven.
Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd
(en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om
die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden
werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de
meerderheid mijner lezers uitteleggen.
Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door
een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze
naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken
aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is
alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur;
want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan
Tom schonk, of deze arme jongen (hoe onschuldig ook) begon in zijne
schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit
alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben
doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van
den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige
gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen
worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door
zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid,
slechts al te veel bijdroeg.
Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd
begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden
van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen
daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij
veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar
trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in
de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de
voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als
het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het
is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve
goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het
inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen.
Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de
nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid
en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien
en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige
lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de
voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd
zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke
versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik
geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid
leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende
bladzijden van dit boek.
Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben,
bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat,
terwijl ik de rotsen aantoon, waarop de onschuld en de deugd dikwerf
schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor
zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner
persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf
te verklaren.