HOOFDSTUK IV.

BEVATTENDE EENE NOODZAKELIJKE VERONTSCHULDIGING VOOR DEN SCHRIJVER EN

EENE KINDERACHTIGE GEBEURTENIS, WELKE WELLIGT OOK EENE

VERONTSCHULDIGING EISCHT.

Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging

te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden

kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet

dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.

Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde

opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een

streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur

vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn

het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te

verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en

hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen

gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te

doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig

aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.

Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te

bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer

valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke

vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat

beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door

huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja

zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt

genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de

grootste der zegeningen zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of

bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste

vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn

eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden,

te kwellen.

Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel

begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder

hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het

een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles

tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze

twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon,

dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan

ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben,

als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht

had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en

verminkt zouden geschenen hebben.

Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het

gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de

godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende

stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat

aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden,

dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede

ik nu voortga.

De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige

hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen

heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een

stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de

jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was,

was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.

Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want

in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een

goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de

gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg

zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.

Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling ten

allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een

jongen.

Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond,

noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die

eenigzins driftig van aard was, onmiddellijk den anderen, op de wijze

welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.

De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de

tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den

ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt

ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling

tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon

aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn

verhaal van de zaak uitgelaten had.

Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was;

want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam

niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit

gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”

Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de

waarheid gezegd te hebben.

Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet

verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel

tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij,

dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”

„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.

„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij

die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in

tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat

de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat

hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet

bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””

Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:

„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer! Dit is de

jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”

Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den

knaap en zeide:

„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid

vol te houden?”

Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij

zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had;

want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden,

waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat

de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk

alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat

dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer

hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn

huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en

de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om

hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij,

„men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme

man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de

vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde

slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij

maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld,

mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”

De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens

weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te

leven.

Tom Jones · 第 36 / 340 题