BEVATTENDE EENE NOODZAKELIJKE VERONTSCHULDIGING VOOR DEN SCHRIJVER EN
EENE KINDERACHTIGE GEBEURTENIS, WELKE WELLIGT OOK EENE
VERONTSCHULDIGING EISCHT.
Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging
te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden
kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet
dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.
Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde
opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een
streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur
vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn
het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te
verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en
hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen
gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te
doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig
aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.
Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te
bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer
valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke
vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat
beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door
huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja
zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt
genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de
grootste der zegeningen zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of
bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste
vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn
eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden,
te kwellen.
Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel
begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder
hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het
een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles
tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze
twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon,
dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan
ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben,
als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht
had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en
verminkt zouden geschenen hebben.
Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het
gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de
godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende
stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat
aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden,
dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede
ik nu voortga.
De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige
hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen
heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een
stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de
jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was,
was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.
Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want
in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een
goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de
gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg
zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.
Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling ten
allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een
jongen.
Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond,
noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die
eenigzins driftig van aard was, onmiddellijk den anderen, op de wijze
welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.
De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de
tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den
ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt
ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling
tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon
aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn
verhaal van de zaak uitgelaten had.
Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was;
want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam
niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit
gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”
Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de
waarheid gezegd te hebben.
Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet
verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel
tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij,
dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”
„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.
„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij
die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in
tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat
de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat
hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet
bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””
Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:
„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer! Dit is de
jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”
Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den
knaap en zeide:
„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid
vol te houden?”
Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij
zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had;
want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden,
waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat
de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk
alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat
dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer
hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn
huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en
de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om
hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij,
„men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme
man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de
vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde
slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij
maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld,
mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”
De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens
weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te
leven.