HOOFDSTUK III.

HET KARAKTER VAN DEN WIJSGEER SQUARE EN VAN DEN HEER THWACKUM, DEN

GODGELEERDE, MET EEN DISPUUT OVER—.

De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy

inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had,

waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene

wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude

letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en

Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk

gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den

andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de

godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.

Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de

Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van

Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer,

of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij

zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als

theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo

ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te

denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders

schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.

Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder

te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover

elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de

volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van

de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum

integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert Adams val,

niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered

werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens,

en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te

spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de

natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt

der genade.”

De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten

van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles

volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift

en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne

wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te

hebben dan de tekst.

Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te

herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag,

welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:

„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”

Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden

te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks

twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis

waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna

evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.

„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid

der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige

godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen,

dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en

dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere

volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”

Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige

vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat

alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe

zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en

verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer

niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden daarvan

bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle

sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel

ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke

godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de

protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer

spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts

bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en

geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die,

naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand

veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit

zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen

te worden.”

„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te

maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide;

maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht

hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te

laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij

verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat

wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de

ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond

zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde

der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig

en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid

goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar

dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de

godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst

eenige stellige wet bedoelt,—”

„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand,

die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer

Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”

Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer

bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij

van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij

de twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar

beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders

tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde

maakte aan het gesprek.

Tom Jones · 第 35 / 340 题