HET KARAKTER VAN DEN WIJSGEER SQUARE EN VAN DEN HEER THWACKUM, DEN
GODGELEERDE, MET EEN DISPUUT OVER—.
De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy
inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had,
waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene
wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude
letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en
Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk
gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den
andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de
godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.
Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de
Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van
Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer,
of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij
zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als
theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo
ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te
denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders
schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.
Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder
te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover
elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de
volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van
de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum
integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert Adams val,
niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered
werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens,
en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te
spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de
natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt
der genade.”
De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten
van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles
volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift
en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne
wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te
hebben dan de tekst.
Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te
herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag,
welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:
„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”
Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden
te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks
twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis
waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna
evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.
„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid
der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige
godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen,
dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en
dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere
volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”
Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige
vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat
alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe
zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en
verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer
niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden daarvan
bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle
sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel
ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke
godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de
protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer
spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts
bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en
geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die,
naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand
veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit
zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen
te worden.”
„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te
maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide;
maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht
hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te
laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij
verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat
wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de
ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond
zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde
der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig
en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid
goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar
dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de
godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst
eenige stellige wet bedoelt,—”
„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand,
die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer
Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”
Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer
bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij
van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij
de twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar
beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders
tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde
maakte aan het gesprek.