HOOFDSTUK V.

DE GEVOELENS VAN DEN GODGELEERDE EN DEN WIJSGEER OMTRENT DE TWEE

KNAPEN; MET EENIGE REDENEN VOOR HUNNE MEENINGEN, EN ANDERE DINGEN

DAARBIJ.

Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat

hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad,

dezen redde van een fiksch pak slagen; want de stomp dien hij den

anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn

geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu

vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van

welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen,

de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand

weerhouden werd door de algemeene amnestie.

Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede

liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk

hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te

noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed

was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der

kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke

reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet

behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen,

omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het

andere.

Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom

overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar

dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne

handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde;

daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon

hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door

zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den

heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te

strenger moest wezen.

Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te

berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De

geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch

om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat

dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de

eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.

Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er

niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te

onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter

overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid van den jongen, dan met

de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij

streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor

hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te

gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de

jongen stellig en zeker bedorven zou worden.

Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.

Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere

verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want

de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond

tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven,

of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden

tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene

schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk

eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door

zelf de waarheid aan het licht te brengen.

Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en

Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men

noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm,

een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom

vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en

„eerlijke kerel.”

Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen

vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger

algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn

ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door

allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als

men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te

vertoornen, berispt werd.

Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam

gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen

tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt,

gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk eene

roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te

worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den

armen Jones te kastijden.

Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den

onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge

heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer

Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te

maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens

dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den

anderen.

Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid

van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied,

welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den

betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want

hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en

herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige

grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was

in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte

aan zijn leeraar.

Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in

uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de

leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een

onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet

blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt

dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker

uit te lagchen over diens ernstige houding.

De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden,

want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer

soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij

waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,”

en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld

bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer

Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.

Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd

behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide partijen aan te

bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver

deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep

stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.

Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun

bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug

bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom

het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij

dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de

goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom

alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd

waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen,

welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker

is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons

uit de derde hand bereikt.

Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al

deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer

Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen

aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige

man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden,

welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef,

even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne

zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke

school of akademie.

Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur

toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen,

door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen

prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.

Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar

hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam

gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en

onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze

vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om

hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige

verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de

aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer

zitting had in het parlement.

Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde

werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij

nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken

omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur,

welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen

schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt

niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene

dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich

zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan

den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de

lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij

zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die

dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in

staat zijn in te zien en bloot te leggen.

Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid

van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen,

dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis,

welke wij hun medegedeeld hebben.

Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de

tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige

vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de

uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren

zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens

genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo

de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit

waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf,

hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan;

want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek

in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe

niet in de menschelijke natuur gevonden werd.

Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet

verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de

verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld

gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding

van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot

belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.

Tom Jones · 第 37 / 340 题