DE GEVOELENS VAN DEN GODGELEERDE EN DEN WIJSGEER OMTRENT DE TWEE
KNAPEN; MET EENIGE REDENEN VOOR HUNNE MEENINGEN, EN ANDERE DINGEN
DAARBIJ.
Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat
hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad,
dezen redde van een fiksch pak slagen; want de stomp dien hij den
anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn
geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu
vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van
welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen,
de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand
weerhouden werd door de algemeene amnestie.
Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede
liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk
hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te
noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed
was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der
kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke
reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet
behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen,
omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het
andere.
Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom
overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar
dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne
handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde;
daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon
hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door
zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den
heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te
strenger moest wezen.
Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te
berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De
geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch
om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat
dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de
eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.
Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er
niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te
onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter
overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid van den jongen, dan met
de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij
streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor
hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te
gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de
jongen stellig en zeker bedorven zou worden.
Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.
Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere
verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want
de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond
tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven,
of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden
tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene
schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk
eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door
zelf de waarheid aan het licht te brengen.
Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en
Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men
noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm,
een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom
vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en
„eerlijke kerel.”
Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen
vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger
algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn
ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door
allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als
men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te
vertoornen, berispt werd.
Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam
gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen
tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt,
gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk eene
roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te
worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den
armen Jones te kastijden.
Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den
onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge
heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer
Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te
maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens
dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den
anderen.
Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid
van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied,
welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den
betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want
hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en
herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige
grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was
in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte
aan zijn leeraar.
Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in
uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de
leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een
onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet
blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt
dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker
uit te lagchen over diens ernstige houding.
De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden,
want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer
soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij
waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,”
en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld
bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer
Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.
Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd
behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide partijen aan te
bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver
deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep
stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.
Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun
bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug
bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom
het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij
dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de
goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom
alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd
waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen,
welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker
is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons
uit de derde hand bereikt.
Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al
deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer
Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen
aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige
man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden,
welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef,
even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne
zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke
school of akademie.
Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur
toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen,
door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen
prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.
Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar
hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam
gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en
onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze
vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om
hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige
verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de
aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer
zitting had in het parlement.
Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde
werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij
nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken
omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur,
welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen
schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt
niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene
dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich
zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan
den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de
lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij
zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die
dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in
staat zijn in te zien en bloot te leggen.
Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid
van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen,
dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis,
welke wij hun medegedeeld hebben.
Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de
tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige
vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de
uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren
zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens
genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo
de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit
waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf,
hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan;
want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek
in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe
niet in de menschelijke natuur gevonden werd.
Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet
verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de
verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld
gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding
van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot
belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.