HOOFDSTUK II.

DE HELD VAN DEZE GESCHIEDENIS TREEDT ONDER ZEER SLECHTE VOORTEEKENS OP.

EEN KLEIN VERHAALTJE, ZOO GEMEEN VAN AARD, DAT SOMMIGE LEZERS HET

HUNNER ONWAARDIG ZULLEN ACHTEN. EEN WOORD OF WAT AANGAANDE EEN

LANDJONKER; MEER OVER EEN JAGTOPZIENER EN EEN SCHOOLMEESTER.

Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze

geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen

steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt

onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren,

dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij

zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de

familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg

opgroeide.

Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond

scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste

jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne,

welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt,

hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd.

Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had

appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf,

en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.

De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit,

als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer

Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den

kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele

dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een knaap van

een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne

jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die

hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne

verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen

kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt

door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke

omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens

beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering

zou kunnen doen.

Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet

optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de

familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel

en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een

losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen

omtrent het meum en het tuum te koesteren dan de jonge heer zelf.

Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf

tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de

spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn

geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde:

„noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê

verkeert, wordt men meê geëerd.”

En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones,

waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen

toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een

paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige

aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot

het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter

Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf,

maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij

de volgende gelegenheid:

Onmidellijk aan de landerijen van den heer Allworthy grensde de

heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren.

Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid,

waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden

kunnen geacht worden besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere

Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden

aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze

Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen,

onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen

natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.

Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent

zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan

het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te

voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er

zekere menschelijke wezens zijn,

„Fruges consumere nati,”

„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook

niet dat er anderen zijn,

„Feras consumere nati,”

„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild”

op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke

landjonkers deze hunne bestemming bereiken.

De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en

een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen

over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te

vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer

liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige

boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen

der landerijen van den heer Allworthy.

De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te

worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder

streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten

opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt

opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu

toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit

gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten

hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het

vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem

niet losliet, gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne

verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.

De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde

het schot, ijlde onmiddellijk naar de plaats toe en ontdekte den armen

Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar

hij zich gelukkig wist te verbergen.

De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer

hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de

zaak kennis geven.

Hij hield ook onmiddellijk woord, want hij reed naar het huis en

klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even

ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen

er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij

zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde

oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen

éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan

hebben!”

Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy

geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging

in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van

den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.

Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer

Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde

opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den

heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te

beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te

zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof

bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman

en de knechts verklaard hadden.

Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij

werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om

alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij

in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs

dien namiddag gezien had.

De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich

nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had

alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door

den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij

zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand

anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.

De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij

zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder

uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne

minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid

bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij

wist, daardoor te grond gerigt zou worden.

De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde

vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne

beenderen te zien breken.

Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den

persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens

toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan

als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het

gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt

weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de

beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.

Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester

hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij

liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of

zijn gegeven woord te breken.

De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon

wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer

Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles

te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de

goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn

buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet

onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte van hetgeen de knechts gezegd

hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij

niet veel waarde aan.

Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke

het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te

verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke

vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd

verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng

gestraft wordt.”

En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met

herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu

zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de

grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen

van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in

tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:

„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik

verdien zoo iets niet!”

En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het

geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet

ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen

mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.

Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of

vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij

heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat

eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.

Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan.

Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der

waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden

daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.

„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en

eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of

kan er eer bestaan zonder godsdienst?”

Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in

tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer Thwackum, en een

derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings

aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.

Tom Jones · 第 34 / 340 题