DE HELD VAN DEZE GESCHIEDENIS TREEDT ONDER ZEER SLECHTE VOORTEEKENS OP.
EEN KLEIN VERHAALTJE, ZOO GEMEEN VAN AARD, DAT SOMMIGE LEZERS HET
HUNNER ONWAARDIG ZULLEN ACHTEN. EEN WOORD OF WAT AANGAANDE EEN
LANDJONKER; MEER OVER EEN JAGTOPZIENER EN EEN SCHOOLMEESTER.
Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze
geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen
steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt
onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren,
dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij
zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de
familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg
opgroeide.
Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond
scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste
jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne,
welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt,
hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd.
Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had
appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf,
en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.
De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit,
als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer
Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den
kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele
dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een knaap van
een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne
jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die
hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne
verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen
kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt
door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke
omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens
beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering
zou kunnen doen.
Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet
optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de
familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel
en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een
losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen
omtrent het meum en het tuum te koesteren dan de jonge heer zelf.
Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf
tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de
spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn
geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde:
„noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê
verkeert, wordt men meê geëerd.”
En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones,
waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen
toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een
paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige
aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot
het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter
Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf,
maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij
de volgende gelegenheid:
Onmidellijk aan de landerijen van den heer Allworthy grensde de
heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren.
Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid,
waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden
kunnen geacht worden besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere
Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden
aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze
Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen,
onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen
natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.
Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent
zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan
het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te
voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er
zekere menschelijke wezens zijn,
„Fruges consumere nati,”
„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook
niet dat er anderen zijn,
„Feras consumere nati,”
„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild”
op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke
landjonkers deze hunne bestemming bereiken.
De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en
een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen
over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te
vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer
liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige
boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen
der landerijen van den heer Allworthy.
De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te
worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder
streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten
opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt
opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu
toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit
gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten
hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het
vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem
niet losliet, gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne
verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.
De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde
het schot, ijlde onmiddellijk naar de plaats toe en ontdekte den armen
Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar
hij zich gelukkig wist te verbergen.
De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer
hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de
zaak kennis geven.
Hij hield ook onmiddellijk woord, want hij reed naar het huis en
klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even
ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen
er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij
zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde
oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen
éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan
hebben!”
Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy
geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging
in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van
den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.
Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer
Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde
opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den
heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te
beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te
zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof
bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman
en de knechts verklaard hadden.
Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij
werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om
alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij
in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs
dien namiddag gezien had.
De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich
nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had
alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door
den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij
zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand
anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.
De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij
zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder
uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne
minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid
bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij
wist, daardoor te grond gerigt zou worden.
De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde
vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne
beenderen te zien breken.
Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den
persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens
toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan
als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het
gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt
weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de
beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.
Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester
hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij
liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of
zijn gegeven woord te breken.
De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon
wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer
Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles
te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de
goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn
buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet
onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte van hetgeen de knechts gezegd
hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij
niet veel waarde aan.
Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke
het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te
verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke
vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd
verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng
gestraft wordt.”
En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met
herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu
zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de
grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen
van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in
tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:
„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik
verdien zoo iets niet!”
En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het
geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet
ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen
mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.
Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of
vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij
heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat
eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.
Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan.
Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der
waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden
daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.
„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en
eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of
kan er eer bestaan zonder godsdienst?”
Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in
tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer Thwackum, en een
derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings
aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.