De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem
bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven
van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen
voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene
geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.
Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en
gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve
dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur,
die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke
gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te
gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken
met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in
de vorige hoofdstukken te bekwamen.
Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het
begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen
ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens
hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen
zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte
en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk
uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de
godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk
verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die
een krachtigen, godvruchtigen mensch in staat stellen met bijna even
veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn
sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder
hoop van hem weder te zien.
De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag
van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen
geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der
betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van
haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want,
naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in
grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van
wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot
ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder
aannemen kon.
Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van
hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer
ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van
hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele
belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de
gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de
jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want,
hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze
geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even
belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche
en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur,
naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun
tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.
Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied
kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden,
daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen
der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters
uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste
den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het
laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat
de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun
een tijdvak van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en
zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen
voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen
kennis met hem te maken.