HOOFDSTUK VIII.

EEN ONFEILBAAR VOORSCHRIFT, OM, ZELFS IN DE MEEST WANHOPIGE GEVALLEN,

DE VERBEURDE LIEFDE EENER ECHTGENOOTE TERUG TE WINNEN.

De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken

welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig

in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten,

welke hij in de eenzaamheid genoot.

Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer

Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed

hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen

hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede

plaats, vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen

in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen,

zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het

geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van

bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken

over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen

tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een

alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet

bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik

meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken

heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste

bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard

ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven,

en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de

eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de

kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer

Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best

voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd,

die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet

lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.

Niets ontbrak er dus aan de onmiddellijke uitvoering zijner plannen dan

de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een

groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande

boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het

menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen,

enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond

dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager

binnen weinige jaren sterven zou.

Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept

was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der

droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het

kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoo

mal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen.

Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te laten, juist op

het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen

over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer

Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.

Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de

eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te

verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam

dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn

voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot

(ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door

Horatius opgemerkt is:

„Tu secanda marmora

Locas sub ipsum funus: et sepulchri

Immemor, struis domus.”

Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste

bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig

zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed,

vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”

Tom Jones · 第 29 / 340 题