EEN ONFEILBAAR VOORSCHRIFT, OM, ZELFS IN DE MEEST WANHOPIGE GEVALLEN,
DE VERBEURDE LIEFDE EENER ECHTGENOOTE TERUG TE WINNEN.
De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken
welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig
in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten,
welke hij in de eenzaamheid genoot.
Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer
Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed
hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen
hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede
plaats, vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen
in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen,
zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het
geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van
bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken
over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen
tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een
alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet
bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik
meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken
heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste
bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard
ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven,
en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de
eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de
kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer
Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best
voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd,
die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet
lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.
Niets ontbrak er dus aan de onmiddellijke uitvoering zijner plannen dan
de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een
groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande
boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het
menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen,
enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond
dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager
binnen weinige jaren sterven zou.
Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept
was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der
droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het
kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoo
mal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen.
Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te laten, juist op
het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen
over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer
Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.
Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de
eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te
verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam
dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn
voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot
(ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door
Horatius opgemerkt is:
„Tu secanda marmora
Locas sub ipsum funus: et sepulchri
Immemor, struis domus.”
Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste
bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig
zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed,
vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”