HET BEWIJS VAN DE ONFEILBAARHEID VAN HET REEDS OPGEGEVEN VOORSCHRIFT,
IN DE KLAGTEN VAN DE WEDUWE; TEGELIJK MET ANDERE GEPASTE ATTRIBUTEN VAN
DEN DOOD, ZOOALS DAAR ZIJN: GENEESHEEREN, ENZ. EN EEN
MODEL-GRAFSCHRIFT.
De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het
gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken,
en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer
Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het
uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het
etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs
die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.
Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein
dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan
was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust
maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde
vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man
kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering,
dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste
moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein
verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te
strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.
Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander
ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou
zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich
ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan
tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij
zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te
maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en
een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar
eindelijk over,—om het leêg te drinken.
De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op
uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam
zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd
had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt,
verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van
mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van
tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat
volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder
tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin
poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele
rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat,
zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle
omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht
haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet
veronderstellen kon, dat hij zich zóó ongelukkig gevoelde als zij,
toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne
onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.
„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.
„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap,
vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij
is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”
Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar
als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.
Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en
riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen
kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.
Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de
werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver
gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had
gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het
die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en
toen in zwijm viel.
De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich
bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de
troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer
Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke
beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.
En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat
beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden;
want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden
zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had,
zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein
betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven,
druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had
zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee
geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne
zaak voor hem bepleitten.
Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te
voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te
hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens,
dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak
van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een
apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was
geweest.
Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide
hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo
krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun
eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de
tegenpartij te maken.
Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne
lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de
menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het
graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren
bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En
dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood
van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van
het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de
bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.
Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te
trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist
begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was
reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm
bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren
in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.
Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij
aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te
slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun
honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere
onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker
aanbieden dan het voormelde?
Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen, toen de
heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan
den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen
verzocht voor hun vertrek te bezoeken.
Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone
uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.
De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene
nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten
beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan
hadden.
Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar
man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige
hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.
Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke
verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt.
Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp
der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de
slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan
het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat
punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te
dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en
niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van
dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen:
„Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen;
en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den
schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”
Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij
het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen
met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens
waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven
gingen.
Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de
geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun
kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand
omgeven van al den schijn der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij
door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving
zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren
toestand te vernemen.
Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige
treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame
begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij
vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare
gelaatstrekken getooid had.
De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver
geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer
Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door
het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die
evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein
volmaakt goed kende:
Hier rust,
In de hoop op een beter leven,
Het sterfelijk omhulsel
van den
Kapitein JAN BLIFIL.
Londen
had de eer van zijne geboorte,
Oxford
van zijne opvoeding.
Zijne gaven
strekten zijn beroep en zijn vaderland
tot roem.
Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdienst
en de menschelijke natuur.
Hij was een gehoorzame Zoon,
Een teedere Echtgenoot,
Een liefderijke Vader,
Een hartelijke Broeder,
Een opregte Vriend,
Een vroom Christen,
En een goed Mensch.
Zijne troostelooze weduwe
Heeft dezen zerk opgerigt,
Tot gedenkteeken
Zijner Deugden,
En harer Liefde.