HOOFDSTUK IX.

HET BEWIJS VAN DE ONFEILBAARHEID VAN HET REEDS OPGEGEVEN VOORSCHRIFT,

IN DE KLAGTEN VAN DE WEDUWE; TEGELIJK MET ANDERE GEPASTE ATTRIBUTEN VAN

DEN DOOD, ZOOALS DAAR ZIJN: GENEESHEEREN, ENZ. EN EEN

MODEL-GRAFSCHRIFT.

De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het

gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken,

en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer

Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het

uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het

etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs

die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.

Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein

dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan

was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust

maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde

vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man

kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering,

dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste

moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein

verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te

strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.

Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander

ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou

zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich

ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan

tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij

zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te

maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en

een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar

eindelijk over,—om het leêg te drinken.

De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op

uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam

zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd

had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt,

verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van

mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van

tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat

volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder

tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin

poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele

rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat,

zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle

omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht

haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet

veronderstellen kon, dat hij zich zóó ongelukkig gevoelde als zij,

toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne

onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.

„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.

„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap,

vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij

is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”

Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar

als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.

Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en

riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen

kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.

Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de

werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver

gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had

gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het

die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en

toen in zwijm viel.

De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich

bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de

troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer

Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke

beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.

En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat

beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden;

want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden

zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had,

zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein

betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven,

druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had

zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee

geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne

zaak voor hem bepleitten.

Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te

voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te

hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens,

dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak

van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een

apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was

geweest.

Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide

hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo

krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun

eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de

tegenpartij te maken.

Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne

lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de

menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het

graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren

bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En

dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood

van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van

het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de

bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.

Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te

trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist

begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was

reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm

bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren

in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.

Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij

aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te

slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun

honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere

onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker

aanbieden dan het voormelde?

Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen, toen de

heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan

den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen

verzocht voor hun vertrek te bezoeken.

Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone

uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.

De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene

nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten

beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan

hadden.

Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar

man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige

hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.

Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke

verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt.

Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp

der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de

slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan

het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat

punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te

dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en

niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van

dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen:

„Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen;

en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den

schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”

Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij

het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen

met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens

waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven

gingen.

Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de

geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun

kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand

omgeven van al den schijn der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij

door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving

zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren

toestand te vernemen.

Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige

treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame

begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij

vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare

gelaatstrekken getooid had.

De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver

geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer

Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door

het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die

evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein

volmaakt goed kende:

Hier rust,

In de hoop op een beter leven,

Het sterfelijk omhulsel

van den

Kapitein JAN BLIFIL.

Londen

had de eer van zijne geboorte,

Oxford

van zijne opvoeding.

Zijne gaven

strekten zijn beroep en zijn vaderland

tot roem.

Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdienst

en de menschelijke natuur.

Hij was een gehoorzame Zoon,

Een teedere Echtgenoot,

Een liefderijke Vader,

Een hartelijke Broeder,

Een opregte Vriend,

Een vroom Christen,

En een goed Mensch.

Zijne troostelooze weduwe

Heeft dezen zerk opgerigt,

Tot gedenkteeken

Zijner Deugden,

En harer Liefde.

Tom Jones · 第 30 / 340 题