HOOFDSTUK VII.

EENE KORTE SCHETS VAN HET GELUK, DAT EEN WIJS GEHUWD PAAR IN DEN HAAT

KAN VINDEN; MET EENE VERONTSCHULDIGING VAN DIE MENSCHEN, DIE DE

ONVOLMAAKTHEDEN HUNNER VRIENDEN OVER HET HOOFD ZIEN.

Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had

hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst, welke hij gehoopt had,

namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien

zetten.

Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen

Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone

liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.

Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere,

dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want

hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen

strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.

Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw

eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen

aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is

dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde

waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche

verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der

voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der

tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame,

met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe

kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.

Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der

godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het

hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had,

vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd

was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze

van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij

beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men

inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein,

integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de

overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het

minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde

zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer

veel ingenomenheid met het zijne.

Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij diep verachtte,

hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn,

wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest

zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of

eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze

zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze

nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne

vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien

hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag

gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en

die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting

verdienen.

Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en

lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond

verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in

het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!”

en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met

gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin

zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis

er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige

wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het

verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins

gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.

De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten

opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer

dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.

In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij

Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een

huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten

iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide

was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk

met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig

had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten

nemen. En toch was zijn hoogmoed zoo gevoelig van aard, dat de

minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en

dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd

had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien

zelden overtroffen is.

In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen

ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als

vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een

bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen

die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat

te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij

dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die

zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo

onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en

ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar

echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich

zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap

dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen.

Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe

op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van

aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer

hopen kan te plagen.

Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle

genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide,

genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het

tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting

voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of

laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de

kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw

hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.

De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en

vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te

verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk,

hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had.

Het blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige

verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt

ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om

zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op

zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar

broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk

dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder

hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig

is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide

heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den

haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in

afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn,

zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij

elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen

zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het

gezigt te spuwen.

Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een

weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een

wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en

klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard

zijn.

Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder

eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen

nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne

onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen

een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien,

zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand

anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid.

En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze

toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die

men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen,

als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en

het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had,

die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij

wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste pligten

der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop

op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om

de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te

verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even

als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen

is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote

waarde behoudt.

Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie,

eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch

was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen

ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die

hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den

kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn

geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd

het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet

met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de

middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen,

waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid

en liefde weder verwierf.

Tom Jones · 第 28 / 340 题