EENE KORTE SCHETS VAN HET GELUK, DAT EEN WIJS GEHUWD PAAR IN DEN HAAT
KAN VINDEN; MET EENE VERONTSCHULDIGING VAN DIE MENSCHEN, DIE DE
ONVOLMAAKTHEDEN HUNNER VRIENDEN OVER HET HOOFD ZIEN.
Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had
hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst, welke hij gehoopt had,
namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien
zetten.
Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen
Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone
liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.
Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere,
dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want
hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen
strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.
Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw
eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen
aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is
dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde
waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche
verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der
voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der
tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame,
met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe
kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.
Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der
godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het
hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had,
vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd
was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze
van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij
beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men
inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein,
integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de
overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het
minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde
zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer
veel ingenomenheid met het zijne.
Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij diep verachtte,
hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn,
wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest
zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of
eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze
zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze
nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne
vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien
hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag
gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en
die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting
verdienen.
Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en
lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond
verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in
het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!”
en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met
gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin
zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis
er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige
wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het
verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins
gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.
De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten
opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer
dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.
In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij
Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een
huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten
iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide
was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk
met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig
had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten
nemen. En toch was zijn hoogmoed zoo gevoelig van aard, dat de
minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en
dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd
had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien
zelden overtroffen is.
In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen
ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als
vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een
bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen
die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat
te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij
dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die
zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo
onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en
ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar
echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich
zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap
dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen.
Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe
op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van
aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer
hopen kan te plagen.
Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle
genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide,
genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het
tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting
voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of
laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de
kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw
hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.
De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en
vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te
verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk,
hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had.
Het blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige
verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt
ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om
zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op
zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar
broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk
dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder
hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig
is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide
heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den
haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in
afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn,
zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij
elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen
zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het
gezigt te spuwen.
Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een
weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een
wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en
klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard
zijn.
Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder
eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen
nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne
onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen
een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien,
zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand
anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid.
En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze
toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die
men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen,
als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en
het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had,
die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij
wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste pligten
der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop
op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om
de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te
verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even
als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen
is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote
waarde behoudt.
Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie,
eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch
was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen
ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die
hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den
kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn
geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd
het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet
met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de
middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen,
waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid
en liefde weder verwierf.