HOOFDSTUK VI.

DE TEREGTSTELLING VAN PARTRIDGE, DEN SCHOOLMEESTER, WEGENS

ONEERBAARHEID; DE GETUIGENIS DOOR ZIJNE VROUW AFGELEGD; EENE KORTE

HERINNERING AAN DE WIJSHEID ONZER WETTEN, MET ANDERE ERNSTIGE ZAKEN,

DIE HUN HET BEST BEVALLEN ZULLEN, WELKE ZE HET BEST VERSTAAN.

Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal,

hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld

aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek,

die er nooit van gehoord had.

Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter

zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die

er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het

woord „christelijke liefde” te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad

kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als

er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of

meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand

zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets

tot hun nadeel aan te hooren.

De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden

opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo

waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan

tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne

staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want,

hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene

meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen

hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de

neigingen van hunne meerderen.

Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met

veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien

Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld

van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te

ontbieden, en hem viva voce te ondervragen.

De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te

verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.

Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het

Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw

Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.

En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd

Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw

Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke

betuigingen zijner onschuld.

Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige

betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid

moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds

bekend is, en eindigde met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld

bekend had.

Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar

het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is

waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze

zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest

listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en

beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op

geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.

Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet

loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter

trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd

door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne

schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot

hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit

iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe

gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig

was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou

bekend hebben.

Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren,

en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare

toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer

Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:

„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik

door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn

ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de

huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het

verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige

geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied

was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene

dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen

kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal

dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt ge mij, dat ik u gedwongen heb

zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem

zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten

zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan

zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge

zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij

geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik

zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een

plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet

vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed

van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw

ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me

haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”

Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren,

haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot

Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half

door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat

er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al

zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne

schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door

openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met

het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen,

dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.

Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl

ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en

wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór

of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver,

die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd

werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende

twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven

tot vele meineeden, tot veel gegeessel, boeten, gevangenschap,

deportatie en ophangen.”

Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken,

en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den

hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het

meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden;

want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken

reeds verlaten had.

De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid,

gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer

geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle

getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen,

stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de

aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den

vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij

zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde,

bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij

had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.

Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het

berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen

te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met

rekruteren.

De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht

mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar

zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig

geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had

moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele

omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de

verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt

had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te

komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde

de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te

slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen.

Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan

berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens

den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich

zelven en zijne vrouw te onderhouden.

Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge!

Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste

gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt

van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan

dat onverdiend oordeel onderwerpen.

Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik

echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden

aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het

zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de

muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij

wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.

Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen.

Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer

dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te

doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan

voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch,

niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed

omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de

schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek,

uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit

Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van

het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg

aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van

geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis

een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er

gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op

te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze

omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.

Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den heer Allworthy en

berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg

over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij

ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een

goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter

eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer

opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer

vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te

geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal

men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker

beweegreden daartoe vinden.

Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy

zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de

barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers,

was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van

deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote

misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of

verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien;

maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen

bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit

vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat

hij niet gestraft zou worden.

Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot,

dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen

nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de

wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij

hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw,

een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker

goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt

noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.

Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij

zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer

Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het

openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der

misdadigers zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig

geëvenredigd was aan hunne boosheid.

Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen,

en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de

rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw

te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte

bezweek.

De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge

uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra

de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook

zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en

spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als

overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men

in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en

barmhartigheid hemelhoog.

Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge,

welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg

is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd

aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den

heer Allworthy.

Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren

had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning

verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de

streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het

algemeene medelijden zijner naasten.

Tom Jones · 第 27 / 340 题