DE TEREGTSTELLING VAN PARTRIDGE, DEN SCHOOLMEESTER, WEGENS
ONEERBAARHEID; DE GETUIGENIS DOOR ZIJNE VROUW AFGELEGD; EENE KORTE
HERINNERING AAN DE WIJSHEID ONZER WETTEN, MET ANDERE ERNSTIGE ZAKEN,
DIE HUN HET BEST BEVALLEN ZULLEN, WELKE ZE HET BEST VERSTAAN.
Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal,
hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld
aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek,
die er nooit van gehoord had.
Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter
zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die
er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het
woord „christelijke liefde” te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad
kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als
er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of
meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand
zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets
tot hun nadeel aan te hooren.
De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden
opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo
waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan
tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne
staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want,
hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene
meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen
hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de
neigingen van hunne meerderen.
Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met
veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien
Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld
van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te
ontbieden, en hem viva voce te ondervragen.
De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te
verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.
Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het
Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw
Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.
En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd
Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw
Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke
betuigingen zijner onschuld.
Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige
betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid
moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds
bekend is, en eindigde met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld
bekend had.
Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar
het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is
waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze
zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest
listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en
beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op
geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.
Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet
loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter
trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd
door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne
schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot
hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit
iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe
gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig
was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou
bekend hebben.
Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren,
en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare
toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer
Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:
„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik
door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn
ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de
huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het
verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige
geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied
was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene
dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen
kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal
dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt ge mij, dat ik u gedwongen heb
zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem
zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten
zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan
zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge
zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij
geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik
zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een
plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet
vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed
van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw
ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me
haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”
Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren,
haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot
Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half
door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat
er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al
zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne
schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door
openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met
het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen,
dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.
Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl
ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en
wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór
of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver,
die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd
werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende
twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven
tot vele meineeden, tot veel gegeessel, boeten, gevangenschap,
deportatie en ophangen.”
Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken,
en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den
hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het
meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden;
want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken
reeds verlaten had.
De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid,
gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer
geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle
getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen,
stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de
aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den
vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij
zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde,
bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij
had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.
Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het
berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen
te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met
rekruteren.
De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht
mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar
zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig
geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had
moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele
omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de
verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt
had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te
komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde
de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te
slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen.
Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan
berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens
den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich
zelven en zijne vrouw te onderhouden.
Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge!
Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste
gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt
van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan
dat onverdiend oordeel onderwerpen.
Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik
echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden
aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het
zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de
muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij
wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.
Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen.
Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer
dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te
doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan
voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch,
niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed
omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de
schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek,
uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit
Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van
het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg
aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van
geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis
een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er
gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op
te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze
omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.
Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den heer Allworthy en
berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg
over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij
ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een
goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter
eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer
opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer
vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te
geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal
men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker
beweegreden daartoe vinden.
Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy
zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de
barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers,
was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van
deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote
misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of
verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien;
maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen
bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit
vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat
hij niet gestraft zou worden.
Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot,
dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen
nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de
wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij
hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw,
een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker
goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt
noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.
Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij
zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer
Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het
openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der
misdadigers zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig
geëvenredigd was aan hunne boosheid.
Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen,
en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de
rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw
te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte
bezweek.
De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge
uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra
de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook
zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en
spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als
overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men
in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en
barmhartigheid hemelhoog.
Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge,
welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg
is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd
aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den
heer Allworthy.
Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren
had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning
verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de
streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het
algemeene medelijden zijner naasten.