BEVATTENDE VEEL OM VERSTAND EN OORDEEL VAN DEN LEZER TE SCHERPEN.

Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts

weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het,

dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit

van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder

verspreid te worden.

En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de

omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van

Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene

wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen

verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en

op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één

woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk

wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw

Partridge die van haar man ondergaan had.

Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen

twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar

echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen

van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo

ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de

ijverzucht aan hem toeschreven.

Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter

eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren

bereikt had, vond zij goed er niets van te zeggen, te eerder, welligt,

daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw,

toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze

mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.

Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die

ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote

waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar

heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den

kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer

Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke

strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen

opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen

verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de

kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel

zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter

volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de

dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk

zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter

wereld.

Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den

twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte

zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle

bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den

vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar

speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam

opofferde.

De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene

zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen

vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en

zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met

jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven.

En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn,

dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een

vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van

deze dienaren, door wie men aanhoudend gevaar loopt van verraden te

worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de

kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij

hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.

Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf

aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde

mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.

Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer

Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins,

hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het

slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de

ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak

ontvallen.

Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de

huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen

meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen,

dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit

bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die

er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt

voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den

vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het

kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te

krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate

zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de

zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van

het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn

gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij

geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst

te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven

zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke

mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen

Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te

verzetten.

Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar liep van in het

vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze

zelf mede te deelen.

Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy

over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer

Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens

mildheid of weldadigheid verstaan wordt.

„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel

ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche

wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze

welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien

verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van

denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij

kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door

middel der goddelijke genade. Diegenen,” zeide hij „begrepen beter

hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke

liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend

oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner

handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was

dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze

eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten,

slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid

in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon

worden.

„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen

waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der

mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij

ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken

Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen

konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze

beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.

„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het

betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld

zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd

door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar

om ons bedrogen te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen

aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u

het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een

stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening

zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid

zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit

vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het

aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het

volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets

van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij

geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet,

of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man

zeer getemperd.”

De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het

Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets

zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde

vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het

begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van

aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.

„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was

hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in,

dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te

geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg

aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En,

even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt

worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der

natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen

kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene

belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de

beoefening van dezen pligt was.”

„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van

mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen

schijn van verdienste heeft, en dat is, wanneer men uit grondbeginselen

van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat

men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van

anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene

schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor

ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze

broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn,

ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet

van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan

een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere,

nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan

menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te

verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek

gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele

in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer

het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed

worden?”

„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen,

die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger

onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken

van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van

ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit

tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets

gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging

van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het

betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging

moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker

onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er

enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die

ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen

hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”

Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge,

dien hij een schelm genoemd had?”

„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier, den

schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje,

dat ge in uw bed vondt.”

De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en

de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want

hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde

zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins

gehoord had.

Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd

had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den

kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te

onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van

overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben

wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind

of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste

schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij

vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig

om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.

Tom Jones · 第 26 / 340 题