HOOFDSTUK III.

BESCHRIJVING VAN EEN HUISSELIJK BESTUUR, OP REGELS GEGROND, IN STRIJD

MET DIE VAN ARISTOTELES.

De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni

Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar

ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te

laten wedervaren, zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij

geleerder was geworden dan haar onderwijzer.

Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen

moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de

minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld,

en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den

geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt

zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich

kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet,

welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.

Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen

gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der

zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken:

hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de

bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit

de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen

was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden

heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.

De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam

zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te

voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van

koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met

eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving,

en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest

te goed te doen.

Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij

genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar

vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.

Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij

gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij

geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt

in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was

bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher

door Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer

gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch

dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.

Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid

schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door

eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk

verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der

liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man

haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene

verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen

dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke

jongen.

Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet

weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk

jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige

vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met

eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den

hals te halen.

Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis

droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen

uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een

waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde

Jenni Jones onder dit getal.

Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk

zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer

zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van

verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge

(zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de

geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd

er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had

den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te

onderwijzen.

Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten

in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken

zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer

onverwacht.

Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten

had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk

had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want

toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met

lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni

plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was

de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.

Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in

haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht

eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare

vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen

aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid

potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige

Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde,

mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had.

Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord,

waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:

„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier

in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een

mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer

betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet

gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de

woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft,

hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is,

dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en

sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken,

tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte

eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de

meid, tot den aftogt gedwongen werd.

Tom Jones · 第 22 / 340 题