BESCHRIJVING VAN EEN HUISSELIJK BESTUUR, OP REGELS GEGROND, IN STRIJD
MET DIE VAN ARISTOTELES.
De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni
Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar
ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te
laten wedervaren, zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij
geleerder was geworden dan haar onderwijzer.
Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen
moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de
minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld,
en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den
geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt
zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich
kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet,
welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.
Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen
gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der
zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken:
hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de
bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit
de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen
was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden
heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.
De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam
zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te
voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van
koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met
eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving,
en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest
te goed te doen.
Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij
genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar
vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.
Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij
gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij
geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt
in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was
bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher
door Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer
gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch
dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.
Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid
schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door
eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk
verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der
liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man
haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene
verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen
dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke
jongen.
Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet
weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk
jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige
vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met
eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den
hals te halen.
Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis
droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen
uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een
waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde
Jenni Jones onder dit getal.
Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk
zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer
zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van
verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge
(zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de
geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd
er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had
den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te
onderwijzen.
Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten
in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken
zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer
onverwacht.
Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten
had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk
had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want
toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met
lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni
plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was
de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.
Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in
haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht
eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare
vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen
aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid
potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige
Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde,
mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had.
Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord,
waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:
„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier
in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een
mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer
betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet
gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de
woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft,
hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is,
dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en
sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken,
tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte
eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de
meid, tot den aftogt gedwongen werd.