HOOFDSTUK II.

GODSDIENSTIGE BEZWAREN TEGEN HET BEWIJZEN VAN TE VEEL GOEDHEID AAN

NATUURLIJKE KINDEREN, EN EENE GROOTE ONTDEKKING, GEDAAN DOOR JUFVROUW

DEBORAH WILKINS.

Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw

Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid

en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik,

ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar

allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand

te vroeg gekomen was.

Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer

Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde

toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en

aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl

hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te

zoeken.

Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene

met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde,

hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk

jegens haren broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den

vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich

verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook,

met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der

onkuischheid.

De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen

hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem

veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten

tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer

belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen

gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de

tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het

overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige

kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk

toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de

kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat

zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den

staat moesten opgeleid worden.”

De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein

aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der

ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de

teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere

strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het

verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts

beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke

gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te

vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om

den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste

grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de

oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons

hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten,

die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring

zelve.”

Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de

kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd van het

tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje

zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats

gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om

redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden

uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het

kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene

ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den

armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.

Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze

zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in

de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag

jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens

zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet

beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den

jongen ontdekt.

Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk

zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de

gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en,

tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van

eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend

is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen

moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.

Tom Jones · 第 21 / 340 题