GODSDIENSTIGE BEZWAREN TEGEN HET BEWIJZEN VAN TE VEEL GOEDHEID AAN
NATUURLIJKE KINDEREN, EN EENE GROOTE ONTDEKKING, GEDAAN DOOR JUFVROUW
DEBORAH WILKINS.
Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw
Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid
en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik,
ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar
allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand
te vroeg gekomen was.
Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer
Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde
toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en
aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl
hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te
zoeken.
Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene
met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde,
hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk
jegens haren broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den
vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich
verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook,
met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der
onkuischheid.
De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen
hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem
veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten
tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer
belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen
gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de
tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het
overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige
kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk
toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de
kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat
zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den
staat moesten opgeleid worden.”
De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein
aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der
ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de
teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere
strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het
verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts
beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke
gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te
vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om
den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste
grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de
oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons
hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten,
die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring
zelve.”
Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de
kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd van het
tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje
zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats
gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om
redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden
uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het
kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene
ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den
armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.
Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze
zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in
de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag
jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens
zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet
beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den
jongen ontdekt.
Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk
zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de
gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en,
tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van
eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend
is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen
moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.