HOOFDSTUK I.

AANTOONENDE WELKE SOORT VAN VERHAAL DIT IS; WAARNAAR HET LIJKT, EN WAAR

HET NIET NAAR LIJKT.

Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,”

noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is,

eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen

naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in

een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen

geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der

daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen

met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets

merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken,

welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld

voorgesteld zijn.

Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd

juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze

kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of

vol, denzelfden weg aflegt.

De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd,

wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn

meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige

verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon

bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:

„Ad confligendum venientibus undique poenis,

Omnia cum belli trepido concussa tumultu

Horrida coutremuere sub altis aetheris auris:

In dubioque fuit sub utrorum regna cadendum

Omnibus humanis esset, terraque marique.”

Wat ongeveer zeggen wil:

„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;

Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, beven

En onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;

Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,

’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukken

En over land en zee in ’t einde heerschen zou.”

Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde

methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat,

naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch

papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter

geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht

waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze

geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en

dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.

Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij

dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden

navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het

publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar

daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede

vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht

werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op

maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den

spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der

Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.

De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in

dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die

alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van

een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne

geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En

wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van

welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar

waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat

het mij vrij dienaangaande mij zelf de wetten te stellen. En deze

wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw,

verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en

gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef,

dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen

dwingeland jure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of

mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen

gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen.

Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn

geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne

waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien

of begeer.

Tom Jones · 第 20 / 340 题