DE GASTVRIJHEID VAN DEN HEER ALLWORTHY, MET EENE KORTE SCHETS VAN DE
KARAKTERS VAN TWEE BROEDERS, EEN GENEESHEER EN EEN KAPITEIN, DIE DOOR
DIEN HEER ONTHAALD WERDEN.
Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig
mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen
van verdienste.
Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats
in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid;
want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf
gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven
bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening
der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat
hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van
letterkunde.
Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste
zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die
er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij
zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna
dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de
heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn
overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en
geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs,
vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke
menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de
liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.
Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen
tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover
als de wet, de deugd en de godsdienst dat toelieten, zoo kon hij ook,
als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef,
matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich
verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het
tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van
onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd
van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn
overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden,
maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze
woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan
de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.
Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil,
een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote
gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die
hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit
onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd
genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen,
dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de
eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter
op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor
hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op
veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.
Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te
vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een
gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het
slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling,
bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van
groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn,
zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het
echte van het onechte te onderscheiden.
Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw
Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige
gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan
den dag legde over zijne kennis, en niet veel minder over de
complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.
Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid
gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.
Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en
hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van
heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige
andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.
Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde
te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder
daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee
personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich
zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere
ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien
jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere
vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier
bestaan aan den heer Allworthy bekend was.
Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders
waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een
ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was
of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest
waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen
begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het
huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden
hartstogt.
Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich
herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien
aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou
gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk
te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen,
zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk
vinden.
Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare
grootte en wat men noemt „welgebouwd.” Hij had een lidteeken op het
voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid
bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone
tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel
zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets
zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus
zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch
geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon
opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem
goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding
aangenomen had.
Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen,
want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den
geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij
geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling
van den koning boven die van een bisschop.
Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later
kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij
genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel
afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en
verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.
Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene
dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets
anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar
hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder
koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van
Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk
verklaren.
Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als
anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan
een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de
ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om
onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet
liefhebben noch eerbiedigen?
Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen wij niet
beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt
gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om
een kort bezoek bij hem af te leggen.
De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen de dokter reden had
zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was
inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf.
Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke
hij een uitstekend gebruik wist te maken.