Jenni ging naar huis zeer te vreden met de ontvangst van den heer
Allworthy, wiens goedheid zij zich beijverde algemeen bekend te maken;
deels misschien om haren eigen hoogmoed te voldoen, deels met het meer
voorzigtige oogmerk om hare buren met haar te verzoenen, of om aan
hunne praatjes een einde te maken.
Maar hoewel dit laatste denkbeeld,—als zij het koesterde,—redelijk
genoeg moge schijnen, beantwoordde de uitkomst niet aan hare
verwachtingen;—want toen zij voor den magistraat geroepen werd, en men
algemeen veronderstelde dat zij naar het verbeterhuis zou gezonden
worden, riepen wel sommige der jonge vrouwen uit, „dat zij daarmede
haar verdiend loon zou krijgen,” en zich met het denkbeeld vermaakten
van haar te zien spinnen in een zijden kleedje, maar er waren toch vele
anderen, die begonnen medelijden met haar te hebben; zoodra echter het
bekend werd hoe de heer Allworthy zich gehouden had, brak de storm
tegen haar los.
De eene zeide: „Nu, ik verzeker u, dat de juffer er goed afgekomen is!”
Eene tweede riep: „Dat heeft men er van als men een wit voetje bij de
menschen heeft!” Een derde: „Dat komt van de geleerdheid!” Iedereen had
bij die gelegenheid iets kwaadaardigs te zeggen, en iets aan te merken
op de partijdigheid der wet.
Het gedrag van deze menschen zal welligt den lezer onstaatkundig en
ondankbaar toeschijnen, als hij de magt en de goedheid van den heer
Allworthy bedenkt; maar, wat zijne magt betreft, hij maakte er nooit
eenig misbruik van, en wat aangaat zijne goedheid, die werd zoo
algemeen toegepast, dat hij al zijne buren daardoor geërgerd had; want
het is een geheim, den grooten welbekend,—dat men door eene dienst te
doen niet altijd een vriend verkrijgt, maar zeker zich vele vijanden
schept.
Jenni werd echter door de zorg van den heer Allworthy spoedig buiten
het bereik van alle verwijting gebragt, en toen de kwaadaardigheid niet
meer in staat was hare woede op haar uit te storten, begon zij een
ander voorwerp tot kwelling te zoeken, en dit was niemand anders dan de
heer Allworthy zelf; want men fluisterde elkander weldra in het oor,
dat hij de vader was van den vondeling.
Deze veronderstelling verklaarde, volgens de algemeene meening, zoo
volmaakt zijne houding, dat die ook de algemeene toestemming verkreeg,
en het geschreeuw over zijne zachtaardigheid begon weldra eene andere
rigting te nemen en veranderde in smaadredenen over zijne wreedheid ten
opzigte van het arme meisje. Zeer driftige en deugdzame vrouwen voeren
hevig uit tegen mannen, die onechte kinderen hadden, welke zij
verloochenden.
Het ontbrak ook niet aan menschen, die na het vertrek van Jenni,
fluisterden dat men haar „weggemoffeld” had, met een voornemen dat te
schandelijk was om vermeld te worden, en die herhaaldelijk wenken
gaven, dat men een regterlijk onderzoek instellen moest, en dat zekere
menschen gedwongen moesten worden het meisje weêr levend te laten zien.
Deze laster zou waarschijnlijk treurige gevolgen hebben gehad (of zou
ten minste eenigzins lastig geweest zijn), voor iemand die een
vreesachtiger of ergdenkender karakter had dan dat waarmede de heer
Allworthy gezegend was; maar, in zijn geval, bleef die zonder gevolgen,
en daar hij al dat gepraat diep verachtte, diende het alleen om een
onschuldig genot te verschaffen aan de booze tongen in de buurt.
Daar wij echter onmogelijk gissen kunnen van welken aard onze lezer is,
en daar het een tijdlang duren zal eer hij iets meer van Jenni hoort,
houden wij het voor best, om hem reeds nu te doen weten dat de heer
Allworthy, zoo als later blijken zal, bepaaldelijk onschuldig was aan
elk misdadig voornemen ter wereld. Hij had, inderdaad, niets anders dan
eene staatkundige dwaling begaan door, genade voor regt te gebruiken,
en door te weigeren de goedaardigheid van het graauw [1] te voorzien
van een voorwerp van medelijden, in den persoon van de arme Jenni, die
men eerst gaarne der schande en den ondergang zou hebben zien
prijsgeven, door eene vernederende bestraffing in de gevangenis,—ten
einde haar later te kunnen beklagen.
Ver van dezen wensch te vervullen, waardoor alle hoop op beterschap
verijdeld, en zelfs de gelegenheid daartoe benomen zou zijn geworden,
als Jenni geneigd was om het pad der deugd te kiezen, wilde de heer
Allworthy liever het meisje aanmoedigen om langs den eenigen mogelijken
weg terug te keeren; want, ik vrees, dat het maar al te waar is, dat
vele vrouwen verloren en tot den laagsten trap der ondeugd gezonken
zijn, omdat zij buiten staat waren om den eersten misstap te
herstellen. Dit zal, dunkt me, altijd het geval wezen, als zij onder
hare vroegere kennissen blijven, en het was dus zeer wijs van den heer
Allworthy om Jenni naar eene plaats te doen brengen, waar zij weder het
genot van een goeden naam kon smaken, nadat zij de treurige gevolgen
ondervonden had van dien te verliezen.
Derwaarts dus, waar het ook zij, willen wij haar eene gelukkige reis
toewenschen, en voor het oogenblik afscheid van haar nemen en ook van
haar kind, den vondeling, daar wij zaken van meerder gewigt aan den
lezer mede te deelen hebben.