HOOFDSTUK XI.

BEVATTENDE VELE REGELS EN EENIGE VOORBEELDEN VAN HET VERLIEFD WORDEN,

BESCHRIJVINGEN VAN SCHOONHEID, EN ANDERE MEER DEGELIJKE AANLEIDINGEN

TOT HET HUWELIJK.

Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke,

opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven

verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd

voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me

even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls

veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat

het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij

aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en

standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is

wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken

wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij

het altijd zelve wel weet.

Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen

als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en

ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd

gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om

zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.

Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid dezer

opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest,

toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet

door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje,

dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den

aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als

prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over

schaamde.

En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot

verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien

leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging

van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk

afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid,

zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als

schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of

zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog

minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke

opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den

borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan

de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk

doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te

bekennen.

De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De

kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo

even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig

meer aan de natuur te danken.

Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op

eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de

bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn

kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder

versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds

beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de

natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren

door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte

en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze

onwillekeurig deden denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne

schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een

kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en

schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene

sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote

heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke

bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen

afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.

Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak,

waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat

zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij

verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename

oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner

man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den

wille van een veel degelijker voldoening.

De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw

Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich

die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar,

onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te

schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt

was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven,

voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon

stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen

ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de

kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om

het kerkboek te dragen.

De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke

hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het

uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij

het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig

waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te

spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene

leelijke vrouw,—dan eene schoone vrouw te hebben, die geene van deze

gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk

was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het

huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.

Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik

zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder

hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens

opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd

geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne

landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo

hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen

dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot

vrouw moeten nemen.

Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene

tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande

was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om,

wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te

benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden

de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te

schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met

de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der

beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke

dame te winnen.

Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare

lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor

den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te

bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van

haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder

onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der

welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar

want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik,

gebaar of woord van haar bij hem verloren.

De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke houding

van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees

voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van

diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op

handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou

volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een

geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was.

Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te

beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn

gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet

blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij

alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te

maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en

zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten

hoogste goedgekeurd door zijn broeder.

Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne

beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving,

namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden

voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot

dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik

dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook

sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk

is.

De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de

dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en

aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel,

afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde,

verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de

standvastigheid harer weigering.

Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze

vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van

zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven

van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den

toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels,

het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens de regels, verdedigd

werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade

overgaf.

Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef

de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn

van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te

koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich

van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van

anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de

sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste

hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn

op hetgeen gaande was.

Tom Jones · 第 15 / 340 题