BEVATTENDE VELE REGELS EN EENIGE VOORBEELDEN VAN HET VERLIEFD WORDEN,
BESCHRIJVINGEN VAN SCHOONHEID, EN ANDERE MEER DEGELIJKE AANLEIDINGEN
TOT HET HUWELIJK.
Het is door vele wijze mannen en vrouwen, ik weet niet meer welke,
opgemerkt, dat alle menschen voorbestemd zijn om eens in hun leven
verliefd te worden. Ik herinner me niet dat eenige bijzondere leeftijd
voorgeschreven is; maar de leeftijd van mejufvrouw Brigitta schijnt me
even geschikt te zijn als ieder andere;—het komt inderdaad dikwijls
veel vroeger voor, maar als dit niet het geval is, heb ik opgemerkt dat
het zelden of nooit uitblijft tegen dezen tijd. Bovendien, mogen wij
aannemen, dat te dezen tijd de liefde van een meer ernstigen en
standvastigen aard is dan soms in de jeugd. De liefde der meisjes is
wispelturig, grillig, en zoo dwaas dat men niet altijd kan ontdekken
wat de jonge dame beoogt; ja, het is zelfs soms te betwijfelen of zij
het altijd zelve wel weet.
Maar, met eene vrouw van een veertigtal jaren zijn we nooit verlegen
als wij dit willen weten; want daar zulke deftige, ernstige en
ondervindingrijke dames wel weten wat zij willen, is het ook altijd
gemakkelijk voor een man, die met eenige schranderheid begaafd is, om
zich de meeste zekerheid dienaangaande te verschaffen.
Mejufvrouw Brigitta levert een voorbeeld op van de juistheid dezer
opmerking. Zij was niet lang in gezelschap met den kapitein geweest,
toen zij een slagtoffer werd van dezen hartstogt. En toch liep zij niet
door het huis te zuchten en te steunen, gelijk een zwak, dwaas meisje,
dat niet weet wat haar scheelt;—zij besefte, gevoelde en genoot den
aangenamen prikkel, dien zij niet slechts als onschuldig, maar ook als
prijzenswaardig kende en welken zij dus niet vreesde, of zich er over
schaamde.
En, om de waarheid te zeggen, er bestaat in alle opzigten, een groot
verschil tusschen den verstandigen hartstogt, welken vrouwen op dien
leeftijd voor een man koesteren, en de dwaze en kinderachtige neiging
van een meisje voor een jongen, die dikwijls alleen van het uiterlijk
afhangt, en op dingen gevestigd is van weinige waarde en duurzaamheid,
zoo als roode wangen, kleine, lelie-blanke handen, oogen als
schoensmeer, golvende lokken, eene donzige kin, een dun middeltje,—of
zelfs op bekoorlijkheden, die nog minder waarde hebben dan deze, en nog
minder het eigendom zijn van het geliefde voorwerp, zoo als uiterlijke
opschik, dien de mannen te danken hebben aan den kleêrmaker, den
borduurder, den pruikemaker, den hoeden-fabrikant en volstrekt niet aan
de natuur. De meisjes mogen zich wel schamen, gelijk zij gewoonlijk
doen, om aan zich zelve of aan iemand anders eene dergelijke liefde te
bekennen.
De liefde van mejufvrouw Brigitta was van geheel anderen aard. De
kapitein was niets verschuldigd aan wien ook van de heeren, die wij zoo
even opnoemden, wat zijne kleeding betreft,—en zijn persoon had weinig
meer aan de natuur te danken.
Beide, zoowel kleeding als persoon, waren zoodanig, dat als men ze op
eene partij, of in een salon gezien had, ze hem aan de minachting en de
bespotting van alle groote dames daar zouden blootgesteld hebben. Zijn
kleeding was wel is waar netjes, maar eenvoudig, grof, zonder
versiering, en uit de mode. Zijn persoon hebben wij hierboven reeds
beschreven. Verre van daar dat hij roode wangen had, kon men er de
natuurlijke kleur volstrekt niet van zien, daar ze geheel bedekt waren
door een zwarten baard, die tot onder de oogen groeide. Zijne gestalte
en ledematen waren inderdaad goed geëvenredigd, maar zoo groot, dat ze
onwillekeurig deden denken aan de kracht van een stevigen boer. Zijne
schouders waren bovenmate breed, en zijne kuiten dikker dan die van een
kruijer. In één woord, zijn persoon miste al die sierlijkheid en
schoonheid, welke juist het tegenovergestelde zijn van onbehouwene
sterkte, en welke op zulk eene bevallige wijze de meeste onzer groote
heeren onderscheidt, en gedeeltelijk te danken is aan het kostelijke
bloed onzer voorouders,—dat is, bloed uit vette sousen en edele wijnen
afkomstig, en gedeeltelijk van eene vroege opvoeding in de hoofdstad.
Hoewel nu mejufvrouw Brigitta eene dame was van den fijnsten smaak,
waren de bekoorlijkheden van den omgang des kapiteins zoo groot, dat
zij zijne ligchamelijke gebreken geheel en al over het hoofd zag. Zij
verbeeldde zich, en welligt met groot regt, dat zij meer aangename
oogenblikken met den kapitein kon doorbrengen dan met een veel schooner
man, en offerde het genoegen op van hare oogen te streelen, om den
wille van een veel degelijker voldoening.
De kapitein ontdekte naauwelijks de liefde van mejufvrouw
Brigitta,—welke ontdekking hij zeer spoedig maakte,—of hij haastte zich
die trouw te vergelden. De dame, evenmin als haar minnaar,
onderscheidde zich door schoonheid. Ik zou trachten haar portret te
schilderen, als het niet reeds door een veel kundiger meester gemaakt
was,—namelijk door niemand minder dan door den heer Hogarth zelven,
voor wien zij vele jaren geleden zat, en die haar onlangs ten toon
stelde in zijne prent van den „winter-morgen,”—waarvan zij geen
ongepast symbool opleverde,—zoo als zij wandelt—op de prent,—naar de
kerk in Covent-Garden, met den uitgehongerden jongen achter haar, om
het kerkboek te dragen.
De kapitein verkoos ook, zeer wijs, de meer degelijke voordeelen welke
hij van deze dame verwachtte, boven de vlugtige bekoorlijkheden van het
uiterlijk. Hij was een van die zeer wijze mannen, die de schoonheid bij
het andere geslacht beschouwen als eene hoedanigheid van zeer weinig
waarde of gehalte;—of, om meer overeenkomstig de waarheid te
spreken;—die liever alle gemakken van dit leven genieten met eene
leelijke vrouw,—dan eene schoone vrouw te hebben, die geene van deze
gemakken meê brengt. En daar hij veel eetlust had en niet moeijelijk
was, verbeeldde hij zich zijne rol zeer goed te kunnen spelen op het
huwelijksfeest, al moest hij daar ook den sous der schoonheid missen.
Om den lezer maar in eens op de hoogte te brengen: van het oogenblik
zijner aankomst—of ten minste van het oogenblik af, dat zijn broeder
hem het huwelijk voorstelde, en lang eer hij eenige vleijende teekens
opmerkte bij mejufvrouw Brigitta, was de kapitein doodelijk verliefd
geweest, op het huis en de tuinen van den heer Allworthy, op zijne
landerijen, onroerende goederen en erven,—op alle welke de kapitein zoo
hartstogtelijk verzot was, dat hij gaarne zich daarmede ten eeuwigen
dage vereenigd zou hebben, al had hij de tooveres van Endor daarbij tot
vrouw moeten nemen.
Daar de heer Allworthy ook den dokter verteld had, dat hij nooit eene
tweede vrouw wilde nemen—en zijne zuster zijne eenige naastbestaande
was, en daar de dokter uitgevischt had, dat het zijn voornemen was om,
wanneer zij kinderen kreeg, er een van tot zijn erfgenaam te
benoemen,—wat de wet ook zonder zijn toedoen gedaan zou hebben,—hielden
de dokter en zijn broeder het voor zeer prijzenswaardig het aanzijn te
schenken aan een menschelijk wezen, dat zoo ruim voorzien zou zijn met
de noodzakelijkste middelen om gelukkig te leven. Alle gedachten der
beide broeders waren er dus op gerigt om de liefde dezer beminnelijke
dame te winnen.
Maar Fortuna, die dikwijls eene teedere moeder is, en meer voor hare
lievelingen doet dan zij verdienen of wenschen, had zoo geijverd voor
den kapitein, dat terwijl hij plannen smeedde, om zijn doel te
bereiken, de dame zelve hetzelfde verlangen begon te koesteren, en van
haar kant bedacht hoe zij hem gepaste aanmoediging kon geven, zonder
onbescheiden te schijnen; want zij nam al de regelen der
welvoegelijkheid stipt in acht. Dit echter gelukte haar zonder bezwaar
want daar, de kapitein altijd op den uitkijk was, ging geen blik,
gebaar of woord van haar bij hem verloren.
De voldoening, welke de kapitein smaakte over de vriendelijke houding
van mejufvrouw Brigitta, werd niet weinig verminderd door zijne vrees
voor den heer Allworthy; want niettegenstaande de onbaatzuchtigheid van
diens verklaringen, vreesde toch de kapitein, dat hij, als het op
handelen aankwam, het voorbeeld der meeste menschen in de wereld zou
volgen, en zijne toestemming weigeren tot een huwelijk, dat uit een
geldelijk oogpunt beschouwd, zoo zeer in het nadeel zijner zuster was.
Welk orakel hem dit denkbeeld ingaf, laat ik aan den lezer over te
beslissen, maar hoe dit zij, het maakte hem zeer verlegen hoe zijn
gedrag zoodanig interigten, dat hij der dame zijne genegenheid liet
blijken en die tevens voor haar broeder verborg. Eindelijk besloot hij
alle afzonderlijke gelegenheden waar te nemen om haar zijn hof te
maken, maar in het bijzijn van den heer Allworthy zeer ingetrokken en
zoo veel mogelijk op zijne hoede te zijn;—en deze gedragslijn werd ten
hoogste goedgekeurd door zijn broeder.
Weldra vond hij ook middel om zich duidelijk te verklaren jegens zijne
beminde, van wie hij, in den behoorlijken vorm antwoord ontving,
namelijk hetzelfde antwoord, dat reeds eenige duizend jaren geleden
voor het eerst gegeven werd, en dat sedert dien tijd van moeder tot
dochter overgeërfd is. Moest ik het in het Latijn vertalen, dan zou ik
dat doen met de twee woorden: „Nolo episcopari!”—een woord, dat ook
sedert onheugelijke tijden, bij eene andere gelegenheid gebruikelijk
is.
De kapitein echter, hoe hij dan ook aan die kennis kwam, begreep de
dame best en herhaalde spoedig daarop zijn aanzoek, met meer vuur en
aandrang dan de eerste keer, en werd weder, volgens den regel,
afgewezen; maar naarmate de hevigheid van zijn hartstogt vermeerderde,
verminderde ook de dame, met dezelfde inachtneming der vormen, de
standvastigheid harer weigering.
Ten einde den lezer niet te vermoeijen door hem alle tooneelen van deze
vrijaadje te doen volgen,—welke, ofschoon, volgens het oordeel van
zekeren beroemden schrijver, het aangenaamste gedeelte van het leven
van hem, die het beleeft, welligt het vervelendste is voor den
toeschouwer,—vermeld ik alleen nog, dat de kapitein, volgens de regels,
het beleg voortzette, dat de citadel, ook volgens de regels, verdedigd
werd, en eindelijk, volgens de regels, zich op genade en ongenade
overgaf.
Gedurende dezen tijd, waarmede bijna eene geheele maand verliep, bleef
de kapitein uiterlijk zeer onverschillig jegens de dame in het bijzijn
van haar broeder, en hoe beter hij met haar vorderde in stilte, des te
koeler bleef hij in het openbare. Wat de dame betreft, zoodra zij zich
van haren minnaar verzekerd had, behandelde zij hem, in het bijzijn van
anderen, met de meeste onverschilligheid; zoodat de heer Allworthy de
sluwheid van den Satan (of nog andere van diens slechtste
hoedanigheden), had moeten bezitten, om in het minst verdacht te zijn
op hetgeen gaande was.