BEVATTENDE ZULKE ERNSTIGE ZAKEN, DAT DE LEZER HET GEHEELE HOOFDSTUK
DOOR NIET EENS LAGCHEN KAN, TEN ZIJ HIJ WELLIGT OM DEN SCHRIJVER
LAGCHE.
Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne
boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:
„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer
streng te straffen voor hetgeen ge gedaan hebt, en ge zult welligt des
te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij,
als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.
„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen
besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat
nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in
plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene
verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel,
veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door
aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter
verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn
loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn
geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze
van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid
alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets
anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de
verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook
geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich
zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.
„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor
iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van
onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die
godsdienst stichtte.
„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want,
wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de
goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen
het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?
„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo
bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te
herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u
een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik
wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.
„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of
afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar
ik meen, uw geslacht ten minste een afschrik moeten geven van deze
misdaad.
„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als
vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u
van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar
niemand anders zich met u ophouden wil.
„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het
te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te
verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk
mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den
nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den
ondergang beide van ligchaam en ziel.
„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe
spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen
overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig
overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en
afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge
heeft?
„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die
waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van
menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den
rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare
aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen
heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene
vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat
zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van
den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis
verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift
en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift
ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld
de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder
dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder
moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand,
kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich
onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een
kort, beuzelachtig, verachtelijk genot wil verschaffen ten koste van al
wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt
de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel
op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp,
ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij
zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid
heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet
beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle
vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden
vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”
Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy
een oogenblik en hervatte toen:
„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent
het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te
waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven
hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand,
niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan
hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op
de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet
bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te
verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt
ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk
volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt
berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u
hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek
zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u
ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en
de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.
„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust
te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen
verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie
de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan
op u.”
Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene
bedaarde stem, als volgt:
„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel
is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren.
In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen
was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te
toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij
mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen.
De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige
betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren,
mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het
edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde
op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel
ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare
tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe
goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden;
want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk
toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher
harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm
hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om
dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu,
mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van
mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof
u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden
door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te
verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het
uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne
geloften zou schenden.”
De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken
met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en
zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke
verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit
eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou.
Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd
had, maar alleen met het doel om den schuldige te straffen, en ten
einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het
niet verdiende, eene gunst te bewijzen.
Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten
zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid
was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.
Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni
ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde;
want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te
verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op
den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door
iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan
onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.
Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen
zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en
besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende:
„Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand,
wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”