HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE ZULKE ERNSTIGE ZAKEN, DAT DE LEZER HET GEHEELE HOOFDSTUK

DOOR NIET EENS LAGCHEN KAN, TEN ZIJ HIJ WELLIGT OM DEN SCHRIJVER

LAGCHE.

Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne

boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:

„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer

streng te straffen voor hetgeen ge gedaan hebt, en ge zult welligt des

te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij,

als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.

„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen

besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat

nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in

plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene

verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel,

veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door

aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter

verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn

loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn

geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze

van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid

alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets

anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de

verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook

geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich

zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.

„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor

iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van

onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die

godsdienst stichtte.

„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want,

wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de

goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen

het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?

„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo

bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te

herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u

een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik

wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.

„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of

afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar

ik meen, uw geslacht ten minste een afschrik moeten geven van deze

misdaad.

„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als

vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u

van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar

niemand anders zich met u ophouden wil.

„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het

te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te

verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk

mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den

nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den

ondergang beide van ligchaam en ziel.

„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe

spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen

overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig

overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en

afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge

heeft?

„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die

waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van

menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den

rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare

aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen

heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene

vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat

zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van

den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis

verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift

en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift

ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld

de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder

dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder

moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand,

kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich

onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een

kort, beuzelachtig, verachtelijk genot wil verschaffen ten koste van al

wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt

de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel

op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp,

ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij

zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid

heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet

beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle

vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden

vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”

Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy

een oogenblik en hervatte toen:

„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent

het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te

waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven

hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand,

niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan

hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op

de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet

bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te

verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt

ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk

volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt

berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u

hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek

zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u

ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en

de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.

„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust

te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen

verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie

de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan

op u.”

Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene

bedaarde stem, als volgt:

„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel

is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren.

In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen

was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te

toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij

mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen.

De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige

betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren,

mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het

edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde

op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel

ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare

tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe

goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden;

want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk

toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher

harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm

hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om

dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu,

mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van

mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof

u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden

door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te

verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het

uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne

geloften zou schenden.”

De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken

met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en

zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke

verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit

eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou.

Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd

had, maar alleen met het doel om den schuldige te straffen, en ten

einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het

niet verdiende, eene gunst te bewijzen.

Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten

zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid

was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.

Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni

ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde;

want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te

verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op

den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door

iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan

onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.

Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen

zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en

besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende:

„Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand,

wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”

Tom Jones · 第 10 / 340 题