HOOFDSTUK VI.

JUFVROUW DEBORAH WORDT (MET EEN MOOI BEELD) IN HET DORP GEBRAGT. EEN

KORT BERIGT VAN JENNI JONES, EN DE BEZWAREN EN ONTMOEDIGING, WELKE

JONGE MEISJES SOMS TE OVERWINNEN HEBBEN IN HET ZOEKEN NAAR WETENSCHAP.

Jufvrouw Deborah, na voor het kind gezorgd te hebben, volgens den wil

van haren meester, maakte zich nu gereed om die woningen te bezoeken,

waar ze kon veronderstellen dat de moeder schuilde.

Even als wanneer het voglenheir den havik,—dien verschrikkelijken

roover!—hoog boven zich in de lucht ziet zweven, en de verliefde

tortelduif en elk onschuldig vogeltje, den schrik alom verspreidende en

sidderende, eene schuilplaats zoeken, terwijl hij trotsch verder zweeft

door de hemelruimte, zijner waardigheid bewust en onheil

dreigende;—alzoo vlugtten al de bevende dorpelingen in hunne huizen,

toen de nadering van jufvrouw Deborah door de straten verkondigd werd,

terwijl iedere matrone vreesde, dat het bezoek haar gold. Inmiddels

naderde zij met deftige schreden, trotsch over het veld stappende, met

het statige hoofd omhoog, vervuld met het besef van hare eigene

meerderheid, en steeds overleggende, hoe zij hare voorgenomen

ontdekking zou doen.

De verstandige lezer zal, uit het beeld dat ik gebruikt heb, zich niet

verbeelden, dat deze arme menschen eenig denkbeeld hadden van het

voornemen, dat jufvrouw Wilkins nu koesterde;—daar echter de schoonheid

van dit beeld welligt eene eeuw lang onopgemerkt zou kunnen blijven,

tot de eene of andere toekomstige commentator dit werk onder handen

neemt, acht ik het gepast den lezer hier wat bijstand te verleenen.

Het is dus mijn voornemen te doen opmerken, dat even als het in den

aard van een roofvogel ligt om kleinere vogels te verscheuren, het ook

zoo in den aard van zulke menschen als jufvrouw Wilkins ligt, om het

geringe volkje te beleedigen en te onderdrukken. Dit is inderdaad het

middel dat zij gebruiken, om zich eenige vergoeding te verschaffen voor

hunne laagheid en gedienstigheid jegens hunne meerderen; want niets is

redelijker dan dat slaven en vleijers, van allen die beneden hen zijn,

dezelfde schatting eischen, welke zij aan allen betalen, die boven hen

gesteld worden.

Zoodra jufvrouw Deborah dus in de noodzakelijkheid was eenige

gedienstigheid te toonen jegens mejufvrouw Brigitta, en zij zoodoende

haar eigen humeur wat verbitterd had, was het eene gewoonte bij haar

geworden, om onder dit volkje te gaan, ten einde zich het gemoed te

verligten, door haar slecht humeur lucht te geven, en zich als het ware

daarvan te zuiveren, om welke reden zij dan ook volstrekt geen

gewenschte gast was;—of liever, om de waarheid niet te verbergen,

algemeen gevreesd en gehaat was.

Zoodra zij nu aangekomen was, begaf zij zich naar de woning van zekere

bejaarde matrone, jegens wie zij, daar deze dame het geluk had op haar

te gelijken, zoowel wat uiterlijke bekoorlijkheden als leeftijd

betreft, over het algemeen gunstiger gestemd was, dan jegens iemand

anders dáár.

Aan deze vrouw deelde zij mede wat er gebeurd was, en het voornemen

waarmede zij dien morgen naar het dorp gekomen was. Deze beide begonnen

nu dadelijk het karakter van alle jonge meisjes, die daar woonden, te

onderzoeken, en vestigden eindelijk hare sterkste vermoedens op zekere

Jenni Jones, die zij beide hielden voor de meest waarschijnlijke

pleegster der daad.

Deze Jenni Jones was geen bijzonder knap meisje, wat haar gezigt of

figuur betrof, maar de natuur had eenigzins het gebrek aan schoonheid

vergoed, door iets, dat gewoonlijk hooger geacht wordt door die dames,

wier oordeel door de jaren gerijpt is,—want zij was begaafd met

bijzonder veel verstand. Deze gave had Jenni door onderwijs zeer

ontwikkeld. Zij had verscheiden jaren bij een schoolmeester gediend,

die eene groote vlugheid en eene buitengewone zucht naar kennis in het

meisje ontdekt hebbende,—want hij vond haar in elk vrij uurtje bezig

met lezen in de boeken der schooljongens, de goedheid, of de dwaasheid

had—naar verkiezing van den lezer,—om haar zooveel te leeren, dat zij

eene redelijke kennis verkreeg der Latijnsche taal en misschien even

knap werd als de meeste jonge heeren van goeden huize te dien tijd. Dit

voorregt echter, even als vele anderen van buitengewonen aard, ging

vergezeld van eenige kleine ongemakken;—want, even als het geen wonder

is, dat een zoo wel opgevoed jong meisje weinig behagen schepte in den

omgang met diegenen, welke het lot tot hare makkers, maar de opvoeding

tot hare minderen gemaakt had,—zoo is het tevens volstrekt niet vreemd,

dat deze meerderheid van Jenni, tegelijk met het gedrag, hetwelk het

natuurlijke gevolg daarvan is, eenigen nijd en onwil tegen haar

opwekten, die welligt in het geheim in het hart harer buren gesmeuld

hadden, van het oogenblik af, dat zij uit hare dienst teruggekomen was.

Hun nijd echter werd eerst openbaar, toen de arme Jenni, tot de

algemeene verbazing en tot groote ergernis van alle meisjes in den

omtrek, zich op zekeren Zondag vertoonde in een nieuwen zijden japon,

met eene kanten muts en verder daarbij passenden opschik.

De vlam, welke tot dusver gesmeuld had, barstte nu uit. Jenni had door

hare geleerdheid haar eigen hoogmoed gevoed, waarvoor echter geen harer

buren dien eerbied toonde, welken zij scheen te eischen, en thans, in

plaats van vereering en aanbidding, gewerd haar niets dan haat en

bespotting wegens hare praalzucht. De geheele gemeente verklaarde, dat

zij op geene eerlijke wijze aan zoo iets had kunnen komen, en ouders,

in plaats van hunne kinderen zoo iets toe te wenschen, wenschten zich

zelven geluk, dat zij het niet bezaten.

Om deze redenen welligt, noemde de goede vrouw het eerst den naam van

dit arme meisje aan jufvrouw Wilkins; maar er was nog eene andere

omstandigheid, welke hare vermoedens bevestigde,—want Jenni was in den

laatsten tijd dikwijls bij mijnheer Allworthy aan huis geweest. Zij had

mejufvrouw Brigitta gedurende eene hevige ziekte opgepast, en

verscheidene nachten bij die dame gewaakt;—bovendien had jufvrouw

Wilkins zelve haar dáár gezien den dag vóór de terugkomst van den heer

Allworthy, zonder dat die slimme vrouw om die reden haar van iets

verdacht had; want, gelijk zij zelve zeide: „Zij had Jenni altijd voor

een heel fatsoenlijk meisje gehouden,—hoe weinig zij haar ook kende,—en

had eerder het oog gehad op de eene of andere van die ligtzinnige

nufjes, die zich iets verbeeldden op hare gewaande schoonheid.”

Jenni werd nu opgeroepen om bij jufvrouw Deborah te komen, en verscheen

dadelijk. Hierop begon jufvrouw Deborah, met al de deftigheid van een

regter, en met iets meer dan regterlijke gestrengheid, eene

redevoering, met de woorden: „Gij onbeschaamde straatloopster,”—en ging

voort met over de beschuldigde veeleer het vonnis uit te spreken, dan

haar te verhooren.

Hoewel nu jufvrouw Deborah, om boven vermelde redenen, van Jenni’s

schuld overtuigd was, is het mogelijk, dat de heer Allworthy eenige

meerdere bewijzen zou gevorderd hebben eer hij haar veroordeelde; maar

zij spaarde hare aanklagers die moeite, door onmiddellijk het feit te

bekennen, waarvan men haar beschuldigde.

Deze bekentenis, hoewel, naar het schijnt, met eenige blijken van

berouw gepaard, vermurwde in het geheel niet jufvrouw Deborah, die er

nu toe overging om een tweede vonnis tegen haar te vellen, in nog

sterkere bewoordingen dan te voren. Jenni’s bekentenis werkte ook niet

beter op de toehoorders, die nu zeer talrijk waren geworden. Velen er

onder riepen ook uit: „Dat zij wel begrepen hadden, waar die zijden

japon van de juffer van daan was gekomen,” en anderen spraken zeer

ironisch over hare geleerdheid. Er was geen enkel vrouwelijk wezen

tegenwoordig, dat geen middel vond om haar afschuw van de arme Jenni

aan den dag te leggen, die alles zeer geduldig droeg, behalve de

kwaadaardigheid van ééne vrouw, die over haar uiterlijk spotte, en den

neus ophalende, zeide; „Dat die vent een raren smaak moest hebben, die

zijden japonnen over had voor zulk een leelijk schepsel als dit!”

Hierop antwoordde Jenni met eene verbittering, welke een verstandig

mensch verbaasd zou hebben, die de kalmte opgemerkt had, waarmede zij

alle aanmerkingen op haar gedrag aangehoord had—maar haar geduld was

welligt uitgeput;—want dit is eene deugd, die zeer gemakkelijk door het

gebruik slijt.

Jufvrouw Deborah aldus boven wenschen en bidden geslaagd zijnde in haar

onderzoek, keerde zegevierende naar huis terug, en gaf op het bepaalde

uur getrouw berigt aan den heer Allworthy, die grootelijks verrast was;

want hij was bekend met de buitengewone gaven en kennis van het meisje,

dat hij, tegelijk met eene kleine collatie, aan een predikant in de

buurt tot vrouw had bestemd. Zijn verdriet dus bij deze gelegenheid

evenaarde ten minste de voldoening, welke jufvrouw Deborah liet

blijken, en voor vele lezers zal het welligt veel redelijker schijnen.

Mejufvrouw Brigitta echter zeide, dat, wat haar betrof, zij in het

vervolg nooit iets goeds van eenige vrouw zou gelooven. Want Jenni had

tot dusver het geluk gesmaakt om ook genade in hare oogen gevonden te

hebben.

De voorzigtige huishoudster werd weder uitgezonden, om de ongelukkige

zondares voor den heer Allworthy te brengen, ten einde—niet gelijk door

eenigen gehoopt en door allen gewacht werd,—naar het

verbeteringsgesticht gezonden te worden; maar om heilzame vermaningen

en berispingen te ontvangen, welke gelezen kunnen worden in het

volgende hoofdstuk door diegenen, welke ingenomen zijn met dergelijk

leerzaam geschrijf.

Tom Jones · 第 9 / 340 题