HOOFDSTUK VIII.

EEN GESPREK TUSSCHEN DE DAMES BRIGITTA EN DEBORAH, DAT ONDERHOUDENDER

MAAR MINDER LEERZAAM IS DAN HET VOORGAANDE.

Zoodra de heer Allworthy zich, gelijk men gezien heeft, met Jenni op

zijne boekenkamer begeven had, hadden mejufvrouw Brigitta en de goede

huishoudster post gevat bij de deur van die kamer, waar zij, door het

sleutelgat, de leerzame lessen door den heer Allworthy gegeven,

tegelijk met de antwoorden van Jenni, en in één woord, alles wat in het

vorige hoofdstuk beschreven is, gretig opvingen.

Inderdaad was deze opening in de deur van haar broeders studeerkamer

even bekend aan mejufvrouw Brigitta en werd even dikwijls door haar

gebruikt als de beroemde spleet in den muur door Thisbe in den ouden

tijd. En het diende ook tot velerlei goede einden. Want, door

dergelijke middelen werd mejufvrouw Brigitta dikwijls met de wenschen

van haar broeder bekend, zonder hem de moeite te geven ze aan haar mede

te deelen. Het is echter waar dat, er tevens eenige ongemakken mede

gepaard gingen, en dat zij soms reden had, even als Shakespeare’s

Thisbe, uit te roepen: „O booze, booze muur!” Want, daar de heer

Allworthy magistraat was, kwamen er soms zekere zaken voor, bij

onderzoekingen b.v. omtrent natuurlijke kinderen, en dergelijke, die

wel beleedigend klinken konden in de kuische ooren van maagden,—vooral

als zij de veertig jaren nabij zijn, zooals het geval was met

mejufvrouw Brigitta. Evenwel, had zij het voordeel dat zij bij die

gelegenheid den blos die zich op haar wang verspreidde voor de oogen

der mannen verbergen kon en: „de non apparentibus et non existentibus

eadem est ratio,”—wat zeggen wil, „als men niet ziet dat eene vrouw

bloost, dan bloost zij ook niet.”

De beide waardige vrouwen bewaarden een diep stilzwijgen zoolang het

tooneel tusschen den heer Allworthy en het meisje duurde: maar zoodra

het gedaan en die heer verwijderd was, kon jufvrouw Deborah niet

nalaten uit te varen tegen de zachtzinnigheid van haren meester, en

vooral tegen zijne zwakheid om toetegeven, dat de naam van den vader

van het kind verzwegen zou blijven,—een geheim dat zij zwoer vóór

zonsondergang van Jenni af te persen.

Bij deze woorden vertrok mejufvrouw Brigitta hare gelaatstrekken tot

een glimlach,—iets, dat zeer ongewoon bij haar was. Niet, dat de lezer

zich behoeft te verbeelden dat het een van die ligtzinnige lachjes was,

die Homerus ons wil doen verstaan dat aan Venus eigen zijn, als hij

haar de lach-minnende Godin noemt;—het was ook niet een van die

glimlachen, welke Freule Seraphina uit hare loge in de komedie als

zoovele pijlen afschiet, en om welke te evenaren Venus hare

onsterfelijkheid zou willen geven. Neen! Dit was eerder een van die

glimlachen welke men zich voorstellen kan in de kuiltjes van de wang

van de verhevene Tisiphone, of eene harer zusters.

Met een dergelijken glimlach dan, en met eene stem, liefelijk als de

avondkoelte van Boreas in de aangename Novembermaand, verweet

mejufvrouw Brigitta zachtjes aan juffer Deborah hare

nieuwsgierigheid,—eene ondeugd, naar het schijnt, waarmede deze maar al

te zeer behebt was en waartegen de andere met veel bitterheid uitvoer,

er bijvoegende:

„Dat, in weerwil van al hare gebreken, zij den Hemel dankte, dat hare

vijanden haar niet beschuldigen konden van eene ongepaste

nieuwsgierigheid omtrent dingen, die haar niet aangingen.”

Zij ging nu voort met Jenni’s eergevoel en moed te roemen; zij zeide,

dat zij niet nalaten kon het eens te zijn met haren broeder, dat er

eenige verdienste was in hare openhartige bekentenis, en in hare

getrouwheid aan haar minnaar; dat zij haar altijd voor een heel goed

meisje gehouden had, en er niet aan twijfelde dat zij door den een of

anderen schelm verleid was, die oneindig meer te berispen was dan zij,

en zeer waarschijnlijk haar gefopt had door een huwelijksbelofte, of

eenig verraad van dien aard.

Jufvrouw Deborah stond zeer verbaasd over deze houding van mejufvrouw

Brigitta, want, als voorzigtige vrouw, liet zij zich zelden een woord

ontvallen tot haar meester of zijne zuster, eer zij hun gevoelen

gepolst had, waarmede hare denkwijze altijd naauwkeurig overeenstemde.

Nu echter, had zij zich verbeeld heel veilig te kunnen lostrekken, en

de verstandige lezer zal haar welligt niet van gebrek aan slimheid

beschuldigen, als zij dat deed, maar eerder de verbazende vlugheid

bewonderen, waarmede zij over stag ging, zoodra zij inzag, dat zij een

verkeerden koers genomen had.

„Wel, jufvrouw,” zei deze knappe vrouw en waarlijk groote diplomate,

„ik moet bekennen dat ik, even als gij zelve, toestemmen moet, dat het

meisje zich heel goed gehouden heeft. En, gelijk door u opgemerkt is,

als zij door den een of anderen snoodaard misleid is, verdient zij

medelijden. En het is ook waar, zoo als gij zelve zegt, dat het meisje

altijd een goed, eerlijk, eenvoudig schepsel scheen, dat niet ijdel was

op haar gezigt, zoo als sommige ligtzinnige meiden in de

buurt,—waarlijk!” „Dat is waar, Deborah,” hernam mejufvrouw Brigitta;

„als het meisje eene van die ijdele feeksen was, die zoo talrijk zijn

in de gemeente hier, zou ik de langmoedigheid van mijn broeder

afgekeurd hebben. Ik zag een dag of wat geleden, een paar pachters

dochters met den blooten hals in de kerk! Ik werd er akelig van! Als de

meisjes de jongens zoeken te lokken, is het geen wonder dat zij zelve

er in loopen! Ik verfoei zulke wezens, en het zou veel beter voor haar

zijn, als hare gelaatstrekken door de kinderpokken mismaakt

waren;—maar, ik moet bekennen, dat ik nooit iets ligtzinnigs van dien

aard bij Jenni opgemerkt heb;—de eene of andere listige schelm heeft

haar verraden, of welligt geweld gebruikt, daarvan ben ik overtuigd en

ik heb diep medelijden met haar!”

Juffer Deborah keurde deze gevoelens goed, en het gesprek eindigde met

een hevigen en bitteren aanval op de schoonheid en met vele

medelijdende verontschuldigingen voor alle eerlijke, leelijke meisjes,

die door de booze listen der snoode mannen verleid worden.

Tom Jones · 第 11 / 340 题