EEN GESPREK TUSSCHEN DE DAMES BRIGITTA EN DEBORAH, DAT ONDERHOUDENDER
MAAR MINDER LEERZAAM IS DAN HET VOORGAANDE.
Zoodra de heer Allworthy zich, gelijk men gezien heeft, met Jenni op
zijne boekenkamer begeven had, hadden mejufvrouw Brigitta en de goede
huishoudster post gevat bij de deur van die kamer, waar zij, door het
sleutelgat, de leerzame lessen door den heer Allworthy gegeven,
tegelijk met de antwoorden van Jenni, en in één woord, alles wat in het
vorige hoofdstuk beschreven is, gretig opvingen.
Inderdaad was deze opening in de deur van haar broeders studeerkamer
even bekend aan mejufvrouw Brigitta en werd even dikwijls door haar
gebruikt als de beroemde spleet in den muur door Thisbe in den ouden
tijd. En het diende ook tot velerlei goede einden. Want, door
dergelijke middelen werd mejufvrouw Brigitta dikwijls met de wenschen
van haar broeder bekend, zonder hem de moeite te geven ze aan haar mede
te deelen. Het is echter waar dat, er tevens eenige ongemakken mede
gepaard gingen, en dat zij soms reden had, even als Shakespeare’s
Thisbe, uit te roepen: „O booze, booze muur!” Want, daar de heer
Allworthy magistraat was, kwamen er soms zekere zaken voor, bij
onderzoekingen b.v. omtrent natuurlijke kinderen, en dergelijke, die
wel beleedigend klinken konden in de kuische ooren van maagden,—vooral
als zij de veertig jaren nabij zijn, zooals het geval was met
mejufvrouw Brigitta. Evenwel, had zij het voordeel dat zij bij die
gelegenheid den blos die zich op haar wang verspreidde voor de oogen
der mannen verbergen kon en: „de non apparentibus et non existentibus
eadem est ratio,”—wat zeggen wil, „als men niet ziet dat eene vrouw
bloost, dan bloost zij ook niet.”
De beide waardige vrouwen bewaarden een diep stilzwijgen zoolang het
tooneel tusschen den heer Allworthy en het meisje duurde: maar zoodra
het gedaan en die heer verwijderd was, kon jufvrouw Deborah niet
nalaten uit te varen tegen de zachtzinnigheid van haren meester, en
vooral tegen zijne zwakheid om toetegeven, dat de naam van den vader
van het kind verzwegen zou blijven,—een geheim dat zij zwoer vóór
zonsondergang van Jenni af te persen.
Bij deze woorden vertrok mejufvrouw Brigitta hare gelaatstrekken tot
een glimlach,—iets, dat zeer ongewoon bij haar was. Niet, dat de lezer
zich behoeft te verbeelden dat het een van die ligtzinnige lachjes was,
die Homerus ons wil doen verstaan dat aan Venus eigen zijn, als hij
haar de lach-minnende Godin noemt;—het was ook niet een van die
glimlachen, welke Freule Seraphina uit hare loge in de komedie als
zoovele pijlen afschiet, en om welke te evenaren Venus hare
onsterfelijkheid zou willen geven. Neen! Dit was eerder een van die
glimlachen welke men zich voorstellen kan in de kuiltjes van de wang
van de verhevene Tisiphone, of eene harer zusters.
Met een dergelijken glimlach dan, en met eene stem, liefelijk als de
avondkoelte van Boreas in de aangename Novembermaand, verweet
mejufvrouw Brigitta zachtjes aan juffer Deborah hare
nieuwsgierigheid,—eene ondeugd, naar het schijnt, waarmede deze maar al
te zeer behebt was en waartegen de andere met veel bitterheid uitvoer,
er bijvoegende:
„Dat, in weerwil van al hare gebreken, zij den Hemel dankte, dat hare
vijanden haar niet beschuldigen konden van eene ongepaste
nieuwsgierigheid omtrent dingen, die haar niet aangingen.”
Zij ging nu voort met Jenni’s eergevoel en moed te roemen; zij zeide,
dat zij niet nalaten kon het eens te zijn met haren broeder, dat er
eenige verdienste was in hare openhartige bekentenis, en in hare
getrouwheid aan haar minnaar; dat zij haar altijd voor een heel goed
meisje gehouden had, en er niet aan twijfelde dat zij door den een of
anderen schelm verleid was, die oneindig meer te berispen was dan zij,
en zeer waarschijnlijk haar gefopt had door een huwelijksbelofte, of
eenig verraad van dien aard.
Jufvrouw Deborah stond zeer verbaasd over deze houding van mejufvrouw
Brigitta, want, als voorzigtige vrouw, liet zij zich zelden een woord
ontvallen tot haar meester of zijne zuster, eer zij hun gevoelen
gepolst had, waarmede hare denkwijze altijd naauwkeurig overeenstemde.
Nu echter, had zij zich verbeeld heel veilig te kunnen lostrekken, en
de verstandige lezer zal haar welligt niet van gebrek aan slimheid
beschuldigen, als zij dat deed, maar eerder de verbazende vlugheid
bewonderen, waarmede zij over stag ging, zoodra zij inzag, dat zij een
verkeerden koers genomen had.
„Wel, jufvrouw,” zei deze knappe vrouw en waarlijk groote diplomate,
„ik moet bekennen dat ik, even als gij zelve, toestemmen moet, dat het
meisje zich heel goed gehouden heeft. En, gelijk door u opgemerkt is,
als zij door den een of anderen snoodaard misleid is, verdient zij
medelijden. En het is ook waar, zoo als gij zelve zegt, dat het meisje
altijd een goed, eerlijk, eenvoudig schepsel scheen, dat niet ijdel was
op haar gezigt, zoo als sommige ligtzinnige meiden in de
buurt,—waarlijk!” „Dat is waar, Deborah,” hernam mejufvrouw Brigitta;
„als het meisje eene van die ijdele feeksen was, die zoo talrijk zijn
in de gemeente hier, zou ik de langmoedigheid van mijn broeder
afgekeurd hebben. Ik zag een dag of wat geleden, een paar pachters
dochters met den blooten hals in de kerk! Ik werd er akelig van! Als de
meisjes de jongens zoeken te lokken, is het geen wonder dat zij zelve
er in loopen! Ik verfoei zulke wezens, en het zou veel beter voor haar
zijn, als hare gelaatstrekken door de kinderpokken mismaakt
waren;—maar, ik moet bekennen, dat ik nooit iets ligtzinnigs van dien
aard bij Jenni opgemerkt heb;—de eene of andere listige schelm heeft
haar verraden, of welligt geweld gebruikt, daarvan ben ik overtuigd en
ik heb diep medelijden met haar!”
Juffer Deborah keurde deze gevoelens goed, en het gesprek eindigde met
een hevigen en bitteren aanval op de schoonheid en met vele
medelijdende verontschuldigingen voor alle eerlijke, leelijke meisjes,
die door de booze listen der snoode mannen verleid worden.