BEVATTENDE EENIGE ZEER GEWONE DINGEN, MET EENE ZEER BUITENGEWONE
OPMERKING DIENAANGAANDE.
Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in
afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want,
ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer,
daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij
dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van
haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne
tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter
niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig
aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag
te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te
geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid toonende met zijne
schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon
zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds
eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en
krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:
„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een
heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”
Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de
dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen
uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon
hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis,
voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal
ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind;
maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel
over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet
zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te
merken, dat zij eindigde met te zeggen:
„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel
aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste
teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet
nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te
wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner
bespottelijke grillen tegen te gaan.”
Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van
toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen
vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare
inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed
bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij
zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar
zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in
praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een
bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin
vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren,
waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer
vermeerderen.
Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers,
naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken,
heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die
slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik
zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als
het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen
mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.