HOOFDSTUK V.

BEVATTENDE EENIGE ZEER GEWONE DINGEN, MET EENE ZEER BUITENGEWONE

OPMERKING DIENAANGAANDE.

Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in

afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want,

ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer,

daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij

dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van

haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne

tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter

niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig

aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag

te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te

geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid toonende met zijne

schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon

zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds

eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en

krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:

„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een

heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”

Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de

dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen

uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon

hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis,

voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal

ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind;

maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel

over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet

zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te

merken, dat zij eindigde met te zeggen:

„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel

aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste

teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet

nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te

wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner

bespottelijke grillen tegen te gaan.”

Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van

toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen

vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare

inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed

bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij

zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar

zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in

praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een

bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin

vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren,

waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer

vermeerderen.

Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers,

naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken,

heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die

slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik

zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als

het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen

mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.

Tom Jones · 第 8 / 340 题