HOOFDSTUK IV.

DE LEZER LOOPT GEVAAR VAN DEN NEK TE BREKEN OVER EENE BESCHRIJVING;—HOE

HIJ DAARAAN ONTSNAPT, EN DE GROOTE VRIENDELIJKHEID VAN MEJUFVROUW

BRIGITTA ALLWORTHY.

De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van

den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en

dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en

het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.

Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den

voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den

noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene

halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief,

terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt

te hebben op het dal daar beneden.

In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het

huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene

schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een

aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een

geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende

over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den

rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele

kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje

viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan

den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het

gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met

groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een

rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote

afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm

van dezen stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het

gezigt.

Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere

uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door

één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop

begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.

Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend

terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland,

bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch

minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen

trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.

Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de

heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met

elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven

hebben, aan zijne blikken vertoonde.

De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen

aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende

majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker

zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een

menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke

wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het

meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.

Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt,

even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen,

zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter

wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de

klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik

tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me

vergezellen wilt.

Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw

Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en

vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had,

waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene

japon was, of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf

dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij

veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid

jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf

voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in

stellen.

Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare

teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de

bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt,

dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval

met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele

verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet

herhalen zullen.

Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het

den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo

onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins

moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze

gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat

men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit

moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige

partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de

goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.

Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid

voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal

eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te

zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat

zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden

of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed

hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin

wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met

een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd,

en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.

Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de

arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene

gewetenlooze heks, eene gemeene feeks, eene leelijke straatloopster

noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold,

waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone

geslacht tot schande strekken.

Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder

te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het

karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en

schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden;

want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest

zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te

brengen.

De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de

gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den

meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des

namiddags indienen.

Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens

zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne

zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te

zorgen.

Tom Jones · 第 7 / 340 题