OVER EENE VREEMDE GEBEURTENIS, WELKE DE HEER ALLWORTHY EENS BIJ ZIJNE
TE HUISKOMST BELEEFDE. DE BETAMELIJKE HOUDING VAN JUFVROUW DEBORAH
WILKINS, EN EENIGE ZEER GEPASTE AANMERKINGEN OVER ONECHTE KINDEREN.
Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy
een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene
kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij
als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam,
dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde,
en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen
dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij
eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.
Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets
anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om
zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang
van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen
het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene
grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk,
en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en
genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische
schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.
De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor
belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaan hoe
belangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van
waar hij in den loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens
afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt
avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer.
Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene
gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij
zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens
terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove
linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.
Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de
goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met
gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok
aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk
opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept
in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met
die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan
geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in
zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar
meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor
hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel
gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast
waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of
niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te
sterven.
Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de
betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming
daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar
meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de
hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm
zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was,
en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken
uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou
hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw
Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste
jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.
Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst
lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt,
het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester
vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne
bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die
voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden
van den leeftijd van jufvrouw Deborah.
Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen
had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan
straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en
sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De
heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en
dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van
eene min te voorzien.
„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een
bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te
pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen
als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd.
Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik
zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de
onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”
„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets
bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen
heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij
niets ergers daarmede begonnen heeft.”
„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven
hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer
van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch
kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door
te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als
mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van
dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat
de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind
was;—maar het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken,
die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt
het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt
raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor
de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr
heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed
ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot
morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen
pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is
welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven,
dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want
veel beters is er van hen niet te wachten.”
Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy
misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar
geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van
het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te
roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld
zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu
stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te
nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het
verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat
men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat
het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.
Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting,
welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst
had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het
kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne
onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje
was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.
Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke
een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet
als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig
ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan
den lezer te doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel
ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.