EENE KORTE BESCHRIJVING VAN DEN HEER ALLWORTHY, EN EEN UITVOERIGER
BERIGT OMTRENT MEJUFVROUW BRIGITTA ALLWORTHY, ZIJNE ZUSTER.
In dat gedeelte van de westelijke streken van dit rijk, dat gewoonlijk
Somersetshire genoemd wordt, leefde onlangs (welligt leeft hij er nog)
een heer, Allworthy geheeten, en die wel een gunsteling van de natuur
en van het lot mogt genoemd worden, want beide schenen met elkaar
gewedijverd te hebben om hem te zegenen en te verrijken. In dezen
wedstrijd zal het welligt sommigen toeschijnen, dat de natuur de
overwinning behaalde, daar zij hem vele gaven schonk, terwijl Fortuna
hem slechts ééne geven kon; maar met deze gift was zij zoo mild te werk
gegaan, dat anderen welligt oordeelen zullen, dat deze ééne gave meer
dan opwoog tegen al de verschillende zegeningen, welke hij van Moeder
Natuur genoot.
Van deze had hij namelijk ontvangen een bevallig uiterlijk, een gezond
gestel, een degelijk verstand en een welwillend hart; door gene werd
beschikt dat hem als erfdeel te beurt zou vallen een der grootste
bezittingen in het graafschap.
Deze heer had in zijne jeugd eene zeer waardige en schoone vrouw
gehuwd, van wie hij zeer veel gehouden had, en die hem drie kinderen
geschonken had, welke echter alle in hunne teedere kindschheid
stierven.
Hij had ook het ongeluk ondervonden van deze beminde vrouw zelve te
moeten begraven, ongeveer vijf jaren vóór den tijd, waarop het mij
behaagt dit verhaal te beginnen. Hoe groot echter dit verlies was,
droeg hij het met verstand en moed, ofschoon ik bekennen moet, dat hij
soms eenigzins wonderlijk er over praatte,—verklarende, dat hij zich
nog als gehuwd beschouwde, terwijl zijne vrouw slechts wat vóór hem
eene reis ondernomen had, waarop hij haar vroeger of later onfeilbaar
zou volgen, en dat hij er niet in het minst aan twijfelde, dat hij haar
dáár ontmoeten zou, waar zij nooit meer van elkaar zouden scheiden.
Wegens deze gevoelens werd door sommige zijner buren zijn gezond
verstand, door anderen zijne godsdienst, en weder door anderen zijne
opregtheid in twijfel getrokken.
Hij leefde nu meestal in afzondering, buiten, met eene zuster, die hij
teeder beminde. Deze dame was nu iets boven de dertig, een leeftijd,
waarop (volgens het oordeel der kwaadaardigen), het volstrekt niet
ongepast is den titel van oude vrijster aantenemen. Zij behoorde tot
dat slag van vrouwen, die men eerder roemt om hare goede hoedanigheden,
dan om hare schoonheid, en die gewoonlijk door haar eigen geslacht
geheeten worden, „een heel best mensch,”—„een beter mensch, mevrouw,
ken ik niet!” Inderdaad, zij was er zoo ver van af, het gemis van
schoonheid te betreuren, dat zij dat voorregt (als het er een is!)
nooit zonder minachting vermelden kon, terwijl zij dikwerf den Hemel
dankte, dat zij niet zoo schoon was als mejufvrouw zus of zoo, die door
hare schoonheid op een dwaalweg gebragt was, dien zij welligt anders
vermeden zou hebben. Mejufvrouw Brigitta Allworthy (zoo heette deze
dame), begreep zeer goed, dat een bekoorlijk uiterlijk bij eene vrouw
niets meer is dan een strik voor zich zelve en anderen, en was toch zoo
voorzigtig in haar gedrag, dat zij even waakzaam bleef alsof zij al de
strikken te vreezen had, die ooit voor haar gansche geslacht gelegd
werden. Inderdaad heb ik opgemerkt (hoe vreemd dit ook luide voor den
lezer), dat deze soort van voorzigtigheid, even als de landstorm, het
liefst de wacht betrekt waar het minste gevaar te duchten is. Dikwijls
verlaat zij op eene schandelijke en lafhartige wijze die toonbeelden
van vrouwen, om welke alle mannen zuchten, steunen en sterven, en voor
wie zij alle mogelijke netten spreiden, terwijl zij getrouw die meer
verhevene vrouwen op de hielen volgt, voor wie het sterkere geslacht
het meeste ontzag en den diepsten eerbied koestert, en die men
(waarschijnlijk wanhopende aan een goeden uitslag), het nooit waagt te
vervolgen.
Lezer! Ik acht het geraden, eer wij zamen verder gaan, u te vertellen,
dat ik in den loop van dit geheele verhaal, voornemens ben afwijkingen
te maken, bij elke gelegenheid die ik vinden kan,—en die ik beter
beoordeelen kan dan welke erbarmelijke criticus ook ter wereld. En nu
verzoek ik ook al deze critici, zich met hunne eigene zaken te
bemoeijen, en zich niet op te houden met zaken of met werken die hen
volstrekt niet aangaan;—want zoolang zij in gebreke blijven de
autoriteit te noemen waardoor, zij tot regters aangesteld zijn, zal ik
weigeren, mij aan hunne uitspraak te onderwerpen.