„Dat is wel zeer jong! Hij heeft natuurlijk eerst als soldaat gediend

en is door zijn buitengewone bekwaamheid tot kapitein opgeklommen?”

„Neen, hij kwam dadelijk als luitenant bij zijn regiment.”

„Als luitenant,” herhaalde Raffles, wiens verbazing toenam. „Hoe is dat

mogelijk. Dan moet hij op de militaire academie geweest zijn.”

„Dat kan ik u niet zeggen, Mylord. Ik weet het niet.”

„Hij sprak daar dus nooit over?”

„Nooit.”

„Merkwaardig,” mompelde Raffles voor zich heen. „Wat kan hier achter

schuilen.”

Hij keek den ouden man een oogenblik aandachtig aan en vroeg toen

weder:

„Hebt gij hier misschien nog eenige uitrustingstukken, die aan uw

schoonzoon hebben toebehoord?”

„Ja, er moet in die kast daar ginds nog een pet en een korte jas

hangen.”

Lark was reeds opgestaan en ging de kast openen.

Hij zocht even tusschen de kleedingstukken en haalde toen een korte

militaire jas en een pet te voorschijn, welke hij voor Raffles op de

tafel neder legde.

Deze bekeek de pet en de schouderkleeding van de jas even en zeide toen

op een toon, die geen tegenspraak duldde:

„Het is, zooals ik dacht, mijn waarde Lark. Uw schoonzoon heeft de

militaire academie bezocht en de leerlingen van die school behooren

voor het overgroote deel tot den adel.”

„Maar dat is bijna onmogelijk, Mylord,” riep Lark uit. „De naam Webster

is toch zeker geen adellijke naam.”

„Neen, dat is het zeker niet,” zeide Raffles glimlachend. „Maar wie

zegt U dat het zijn werkelijke naam was?”

Lark antwoordde niet dadelijk, maar keek Raffles met groote oogen vol

verbazing aan.

Toen barstte hij uit:

„Niet zijn eigen naam, Mylord? Maar wat zou hem dan toch wel kunnen

bewegen mijn kind onder een valschen naam te trouwen?”

„Ik zeg niet, dat hij het gedaan heeft, waarde Lark. Ik denk het zelfs

niet. Maar hoe dan ook. Wij kunnen hieromtrent zekerheid verkrijgen.”

„Op welke wijze dan?”

„Eenvoudig door de registers van den Burgerlijken Stand in te zien.”

„Maar als hij zijn waren naam genoemd had, dan zou Nelly dien toch

hebben moeten hooren,” riep Lark uit, die er nu hoe langer hoe minder

van begreep.

„Dat is volstrekt niet noodzakelijk. Hij kan zijn papieren op het

stadhuis heel goed in orde hebben gemaakt, zonder dat zij er bij was.”

Raffles zweeg nu geruimen tijd, terwijl de oude man in diepe gedachten

verzonken was en stond toen eensklaps op, terwijl hij zeide:

„Luister eens, mijn waarde Lark. Er schuilt achter dit alles een

geheim, dat gij gaarne zoudt oplossen, nietwaar?”

„Maar dat spreekt vanzelf, Mylord,” antwoordde Lark. „Ik weet volstrekt

niet wat ik van dit alles denken moet.”

„Op dit oogenblik weet ik weinig meer dan gij, al vermoed ik wel het

een en ander.”

„Donald heeft nooit iets laten blijken, dat hij een ander was, dan

waarvoor hij zich uitgaf.”

„Dan had hij zeer bijzondere redenen, het verborgen te houden,” hernam

Raffles op ernstigen toon. „En nu moet ik u nog enkele dingen vragen,

alvorens u te verlaten. Onder welke omstandigheden leerde Donald uw

dochter kennen?”

„Heel eenvoudig. Hij jaagde met eenige vrienden in de buurt van de

kostschool waar zij les gaf. Zij maakte juist een wandeling met een

klasse en bij die gelegenheid verstuikte zij erg haar voet, toen zij

over een groote kei uitgleed. Hij hielp haar en later....”

„Ja, ja, ik begrijp het wel,” zeide Raffles glimlachend. „Zoo, zoo, dat

was dus nog in den tijd dat Donald zich aan het edele jachtvermaak kon

wijden. En zeg mij nu eens, van welken aard de betrekking was, welke

hij hier in het begin van zijn huwelijk kreeg.”

„Machineteekenaar op een fabriek, Mylord. Ik meen dat hij voor officier

bij de genie gestudeerd had, maar wegens de hoogloopende twist met zijn

vader, die hem iedere ondersteuning onthield, kon hij zijn studie niet

voortzetten. Nu, ik geloof niet dat de goede Donald voor iets anders

geschikt zou zijn, dan voor kantoorwerk,” voegde de oude man er

glimlachend aan toe. „Hij had zulke fijne dameshanden. Het was

heelemaal een heer, op en top.”

„Ei zoo. Luister eens, mijn waarde Lark. Na alles wat ge mij van hem

verteld hebt, gevoel ik veel sympathie voor uw schoonzoon, en daarom

wil ik alles in het werk stellen om zijn spoor en dat van den kleinen

Richard terug te vinden. Ik zal geen moeite sparen. Het geldt hier het

levensgeluk van een geheel gezin en ik ruik hier een misdadig opzet,

waarvan ik de beteekenis slechts half vermoed....”

Lark had met tranen in de oogen de hand van zijn weldoener gegrepen en

riep nu uit:

„Dat is meer dan waarop ik ooit had durven hopen, Mylord. O, ge weet

niet wat het zeggen wil wegens nijpend geldgebrek niet in staat te zijn

zelf een onderzoek in te stellen naar lieden, die u het dierbaarst hier

op aarde zijn. Zeker, de Fransche recherche zal moeite doen, het spoor

te vinden, maar tot dusverre zijn haar pogingen toch vruchteloos

geweest.”

„De Fransche recherche beschikt wellicht niet over de middelen,

waarover ik beschik, Lark,” hernam Raffles glimlachend. „Wij spreken

dus af, dat ik met mijn trouwen secretaris, mijnheer Brand, reeds

morgen naar Frankrijk vertrek en ik beloof u dat ik u aanstonds bericht

zal zenden per telegraaf, zoodra ik iets ontdekt heb.”

„Dan moge de hemel u beloonen, Mylord,” zeide de oude man met trillende

lippen.

„Het is echter noodzakelijk, dat gij uw krachten spaart, waarde Lark.

Gij zult mij nu veroorloven, daarvoor te zorgen. Nog heden zal ik met

een mijner vrienden spreken, die een groote fabriek heeft en waar juist

een betrekking vacant is, welke gij zeer goed zoudt kunnen vervullen en

die u een behoorlijk loon zal opleveren. Neen, bedank me niet, het

heeft niets te beteekenen. Morgen ontvangt ge nader bericht van mij.”

Raffles drukte den man, die weende van vreugde om dezen plotselingen

ommekeer in zijn droef bestaan, krachtig de hand en had het volgende

oogenblik het vertrek verlaten.

Terwijl hij naar de wachtende auto liep, mompelde hij voor zich heen:

„Nu zal het zaak zijn, die vriend met die groote fabriek inderdaad te

vinden. Nu, dit is mijn minste zorg. Op de Windsor-club zullen wel

eenige leden zijn, die hun vice-president Lord William Aberdeen gaarne

van dienst zullen zijn.”

Henderson stond met de groote auto nog juist op dezelfde plaats te

wachten.

„Snel naar huis, Henderson,” beval Raffles. „Heb je goed op het huis

gelet, waar ik zooeven ben binnen gegaan?”

„Ik zou het met gebonden oogen weten te vinden, Mylord.”

„Goed zoo, je zult er dadelijk weer heen moeten om een flinken voorraad

levensmiddelen te brengen aan dien ongelukkigen man en ook wat geld.”

Raffles stapte in en de auto zette zich in beweging.— — —

Een half uur later ongeveer stond de wagen weder voor het heerenhuis in

de Regentstreet stil.

Raffles vond Charly in de bibliotheekkamer, een zeer groot vertrek,

waarvan de vier wanden schuil gingen achter zeer hooge boekenkasten,

welker bovenste planken men slechts kon bereiken, door middel van een

rollende ladder.

Er bevonden zich hier meer dan veertien duizend boeken en een groot

aantal daarvan was van wetenschappelijken aard.

Want de Gentleman-Inbreker was niet alleen een man van verfijnden

smaak, die zijn heerlijke Stradivarius-viool op meesterlijke wijze

bespeelde, zeer goed schilderde, en een uitgebreide kennis van

wereld-literatuur had, maar hij zou, indien het hem lustte, als

geneesheer mogen practiseeren, wijl hij zijn studies reeds jaren

geleden voltooid had.

Tenslotte was hij een volleerd chemicus en bezat ook de ingenieurkunst

slechts weinig geheimen voor hem.

Charly Brand was dadelijk opgestaan van de sofa, waar hij lag te lezen

en begroette Raffles met een krachtigen handdruk.

„Is alles in orde met je nieuwen beschermeling?” vroeg hij.

„Lichamelijk is alles met hem in orde,” antwoordde Raffles. „Maar voor

die man zich gelukkig kan rekenen, zal er nog heel wat moeten

geschieden. Er is in zijn leven of liever in dat van zijn rampzalige

dochter een geheim, dat om opheldering vraagt.”

En nu deelde Raffles Charly alles mede, wat hij in de woning van den

armen man vernomen had.

„Een vreemde geschiedenis. Welk doel zou Webster er mede gehad hebben,

zijn naam te verzwijgen, zelfs voor zijn eigen vrouw.”

„Ja, wie kan dat zeggen? Hij zal er wel een grondige reden voor hebben

gehad.”

„Waarop steun je eigenlijk je vermoeden, dat de naam Webster niet zijn

eigen naam is?”

„Wel, er zijn verscheidene dingen, die voor mijn opvatting pleiten,”

antwoordde Raffles. „Het begon reeds bij zijn trouwen. Zijn vrouw heeft

blijkbaar nooit een blik kunnen slaan in zijn papieren, die zeker zijn

ware identiteit zouden aantoonen. Hij kende geen bepaald vak, had voor

officier gestudeerd maar had de studie moeten opgeven wegens een twist

met zijn vader, die voor het geld zorgde.

„Zijn handen waren fijn en welverzorgd, een bewijs, dat hij nog nimmer

handenarbeid had verricht. Hij bezocht de militaire academie, waar

bijna alleen adellijke jongelui komen en het regiment, waar hij

dadelijk als luitenant bij geplaatst werd, is er een, dat geen

burgerlijke officieren duldt. En als men hem zal oproepen, dan is het

oproepingsbevel nergens te vinden, want natuurlijk zou daar zijn ware

naam op vermeld staan, en dien wilde hij tot iederen prijs voor zijn

vrouw verborgen houden naar het schijnt.”

„Je kunt wel gelijk hebben, Edward,” hernam Charly peinzend, „maar ik

zou toch wel meer tastbare bewijzen willen hebben.”

„Wel, die kunnen wij morgen zoeken op het stadhuis.”

„Op het stadhuis?”

„Natuurlijk. Als hij niet wil, dat zijn huwelijk volkomen onwettig zou

zijn dan moest hij in ieder geval onder zijn eigen naam trouwen. Men

heeft hem trouwens natuurlijk om zijn familie-papieren gevraagd. Welnu,

dan hebben wij niets anders te doen dan in de registers van den

burgerlijken stand naar den naam Lark te zoeken.”

„Welzeker!” riep Charly uit. „Daar had ik niet aan gedacht! Op die

wijze moet je zijn eigen naam vinden. Maar dat zal ons toch niet kunnen

verklaren, waarom die man verdwenen is. Wat kan hem bewogen hebben, zoo

eensklaps van vrouw en kind te vluchten.”

„Wie zegt, dat hij gevlucht is?” kwam Raffles bedaard. „Er kan wel iets

anders met hem geschied zijn.”

„Iets anders?” herhaalde Charly verbaasd.

„Zeker! Hij kan bijvoorbeeld een ongeluk gehad hebben, of men heeft hem

overvallen, misschien wel gedood—in ieder geval kunnen wij aannemen,

dat zijn terugkeer naar het ziekenhuis verhinderd is door

omstandigheden, niet van zijn wil afhankelijk.”

„Natuurlijk kunnen wij dat!” riep Charly uit. „Maar ik begrijp niet

goed, waarom men hem uit het ziekenhuis liet gaan, terwijl hij nog niet

geheel genezen kon zijn, anders zou hij er niet terug behoeven te

komen!”

„Dat is niet zoo heel verwonderlijk. Wanneer een militair uit een

ziekenhuis wordt ontslagen dan moet hij zich in menig geval nog eens

komen aanmelden. Bovendien stond hier de zaak anders. Naar het schijnt

heeft Webster, zooals wij hem tot nader order zullen blijven noemen,

verlof gevraagd om het ziekenhuis te verlaten, blijkbaar voor een

gewichtige zaak, waarover hij zich echter niet nader schijnt te hebben

uitgelaten, met de belofte, dat hij zou terug keeren, teneinde zijn

rustkuur geheel uit te maken. Daar hij zoo goed als genezen was, heeft

men daar ginds in Chantilly niet het minste bezwaar gemaakt, aan zijn

verzoek gehoor te geven. Nu, wij zullen dit alles spoedig genoeg tot in

bijzonderheden weten.”

„Hoe zoo?” vroeg Charly.

„Wel, wij gaan morgen, zoodra hier in Londen ons onderzoek is

afgeloopen, naar Chantilly. Ik heb het Lark beloofd.”

HOOFDSTUK V.

BELANGRIJKE ONTDEKKINGEN.

Wanneer de avontuurlijke geest van den Gentleman-Inbreker hem tot een

of andere onderneming noopte, dan rustte hij niet, of hij had er een

begin van uitvoering aan gegeven, zooals het met een rechtsterm heet.

Zijn scherp vernuft had aanstonds verraad en misdaad vermoed achter de

vreemde omstandigheden, welke gepaard gingen met het raadselachtige

vertrek van kapitein Webster uit het ziekenhuis van Chantilly en

ontvoering van diens zoontje in dezelfde Fransche plaats.

En zijn rechtvaardigheidsgevoel—zijn edel hart—ook al zou hij het zelf

nimmer hebben willen toegeven—brachten hem er toe zich dadelijk in

dienst te stellen van den ongelukkigen man, die zoo vreeselijk en

plotseling door het noodlot was getroffen, juist toen eindelijk het

geluk weder zijn intrede in zijn huis zou doen, na bange jaren van

onzekerheid en vrees.

Zoo geschiedde het dan ook, dat hij reeds den volgenden morgen, door

Charly Brand vergezeld, zeer vroeg naar het stadhuis reed, teneinde

daar zijn onderzoek te beginnen.

Alleen het noemen van zijn naam was voldoende, hem aanstonds toegang te

geven tot het reusachtige archief, waar hem een der klerken ter

beschikking werd gesteld.

En nu begon het doorbladeren van eenige lijvige folianten, waarbij ook

Raffles en Charly zich niet onbetuigd lieten, maar dapper meezochten,

nadat de klerk op de hoogte was gebracht.

Het duurde lang, daar men alleen den naam van de vrouw wist, maar juist

toen de Fransche ouderwetsche hangklok in het deftige vertrek de eerste

van zijn tien slagen liet hooren, liet Charly een luiden kreet hooren

en riep uit:

„Ik heb het gevonden, Mylord.”

„Laat eens hooren,” verzocht Raffles, wiens blijdschap zich alleen

verried door een weinig verhoogde gelaatskleur.

Charly hief het zware register een weinig naar het licht van het hooge

raam, waarbij hij stond en las met zijn heldere stem voor:

„„Op 23 Mei 1914 gehuwd Donald Reginald Armstrong Sealyham, zoon

van Armstrong Geoffrey John Graaf Sealyham, zeventiende Hertog van

Sutherford, met Petronella Mary Stefany Lark, dochter van Edwin

William Lark” en dan komen de jaren der geboorte en zoo meer.”

Raffles was naderbij getreden en luisterde aandachtig.

Zijn gelaat verried echter volstrekt geen verbazing.

Klaarblijkelijk had hij iets dergelijks verwacht.

Toen Charly het zware boek weder neder legde, trad Raffles er op toe,

en schreef snel alle namen over, benevens den datum van het huwelijk.

Met een tevreden gelaat klapte hij zijn notitieboekje weder dicht en

zeide, zich tot den klerk wendend:

„Dat was een vervelend werk voor je, vriend. Ziehier een kleinigheid,

om je daarvoor te troosten.”

En hij drukte den man een goudstuk in de hand, welke rijke gift den

klerk nog jaren later met groote geestdrift van zijne Lordschap William

Aberdeen deed gewagen.

Maar reeds hadden Raffles en Charly het machtige gebouw weder verlaten,

waar zij zulke kostbare inlichtingen hadden verkregen.

Toen zij weder op straat stonden, zeide Raffles:

„Het schijnt dus dat mijn vermoeden juist is geweest. Onze jeugdige

vriend Donald Sealyham schijnt het ouderlijk huis vol verbittering den

rug te hebben toegekeerd en zelfs zijn naam te hebben willen vergeten.

En nu zullen wij eens spoedig in onze eigen boekerij opzoeken, of wij

niets anders omtrent de Sealyhams kunnen vinden.”

Zij stonden nu voor de wachtende auto met den onverstoorbaren Henderson

achter het stuurwiel, en de reus kreeg bevel hen weder naar de

Regentstreet te rijden.

Daar gekomen begaven zij zich aanstonds naar de bibliotheek, waar

Charly uit een der kleinere kasten een uit fraai juchtleder gebonden

boek nam, dat uitsluitend gewijd was aan den Engelschen adel.

Hij zocht even in het register en bladerde haastig in het boek.

Na even te hebben gezocht, riep hij uit:

„Hier heb ik al, wat wij noodig hebben. Graven van Sealyham, sedert

1476 Hertogen van Sutherford. Een der oudste geslachten van Schotland,

veel grondbezit. De mannelijke afstammelingen dienden veeltijds bij het

leger of de magistratuur. En wacht eens. Hier heb ik Graaf Armstrong

Geoffrey John, den vader van onzen kapitein. Zoo, Donald schijnt zijn

eenige zoon te zijn.”

„Dat wist ik,” zeide Raffles, die in een gemakkelijken stoel had plaats

genomen en met de beenen over elkander geslagen, kalm zijn sigaret

rookte.

„Wist je dat?” vroeg Charly verbaasd. „Hoe kon je dat weten?”

„Eenvoudig door te redeneeren. Als hij niet de eenige zoon was,

behoefde men zijn kind niet te ontvoeren, want dat zou dan geen doel

hebben.”

„Daar begrijp ik niets van,” riep Charly verbluft uit.

„Je zult het later wel begrijpen. Misschien reeds vandaag al,”

antwoordde Raffles glimlachend. „Lees maar eens verder. Ik wilde weten,

waar de oude graaf op dit oogenblik verblijf houdt.”

Charly vestigde zijn oog weder op de bladzijde, welke hij had

opgeslagen en vervolgde:

„Dit is een uitgave van het jaar 1918. In dat jaar woonde hij op zijn

landgoed bij Hastings, op de zuidkust van Engeland. Hij schijnt een

groot jager te zijn en houdt niet bijzonder veel van de stad en haar

vermaken.”

„Leeft zijn vrouw nog?”

„Ja,” zeide Charly, na een blik in het boek te hebben geworpen,

„tenminste nog in het jaar 1918.”

„Dan gaan wij er nu dadelijk heen. Het treft, dat Hastings als het ware

op onzen weg naar Frankrijk ligt.”

„Denk je daar misschien Donald te vinden?”

Raffles keek Charly hoofdschuddend aan en antwoordde:

„Als ik dat dacht, zou ik rijp zijn voor een gekkenhuis, mijn waarde.

Geloof je, dat Donald Sealyham zijn vrouw dan al dien tijd zonder

bericht zou laten, terwijl uit alles blijkt, dat hij haar innig lief

had? Geloof je dat hij daar een, twee, drie weer vrede maakt met zijn

vader? Neen, ik weet wel bijna zeker, dat wij hem daar niet zullen

vinden. Maar de vader kon ons misschien een aanwijzing geven—wie weet

of hij zelf wel iets weet van de zonderlinge verdwijning van zijn

eenigen zoon. Kun je soms in dat boek nazien of de oude graaf ook nog

in den oorlog heeft gediend?”

„Hij is tenminste kolonel van een regiment Horseguards.”

„Hoe oud is hij?”

„Een en zestig jaar.”

„Dan is het heel goed mogelijk, dat hij ook aan den wereldoorlog heeft

deelgenomen, want toen die uitbrak was hij pas vijf en vijftig. En nu

wij weten, wat we willen weten, laten wij ons reisvaardig maken,

Charly. Wij gaan met de reisauto naar Hastings. Henderson zal ons

rijden. Wie weet of wij hem in Frankrijk nog niet noodig hebben.”

„Dat zou ik wel denken, want de ontvoerders van den kleinen Richard

zijn natuurlijk schurken geweest.”

„Dat spreekt vanzelf, maar ik ben er van overtuigd, dat zij niet voor

eigen rekening optraden, maar in opdracht van derden. Nu, dat zullen

wij nog wel uitvinden. Zorg er voor, dat er vermommingen worden mede

genomen en ik zou ook Busto, den braven speurhond, wel willen

medenemen. Misschien kan hij ons nog van dienst zijn.”

„Wanneer wil je vertrekken?”

Raffles raadpleegde even zijn horloge en antwoordde toen:

„Dadelijk na de lunch. Dan hebben wij nog tijd alles voor onze kleine

onderneming in orde te maken.”

Hij was uit den stoel opgesprongen. Een en al veerkracht en

ondernemingsgeest.

Zijn grijze oogen schitterden opgewekt in het scherp geteekende gelaat.

Charly, aangestoken door dien ijver, haastte zich, Henderson op de

hoogte te gaan brengen van de aanstaande reis.

Zooals hij wel had kunnen voorzien, bleef de reus over die mededeeling

volkomen kalm.

Een reisje met de auto naar Frankrijk beteekende in het geheel niets.

Maar hij zou evenmin eenige verwondering aan den dag hebben gelegd,

indien Charly hem was komen zeggen, dat hij zich gereed moest houden,

om over een kwartier naar Peking of Nova Zembla scheep te gaan.

Hij begaf zich dus naar zijn heiligdom, de groote garage, die achter in

den tuin stond, en begon de reisauto, een grooten grijsgelakten wagen,

die plaats bood voor acht personen, gereed te maken.

Charly haastte zich naar de slaapkamer en pakte daar zijn valies en een

koffer met dubbelen bodem, waarin de noodige zaken voor een vermomming

verborgen konden worden.

Om half een werd geluncht en een half uur later droeg Henderson de

bagage in de auto.

Raffles en Charly vergewischten zich nog eens dat zij hun revolvers

niet vergeten hadden en daarop stapten zij in.

Henderson had zijn bevelen reeds gekregen en stuurde den wagen met

vaste hand door de drukke straten van Londen.

Een half uur later reed de auto door de zuidelijke voorsteden en

bereikte toen den breeden lommerrijken straatweg, die naar de zuidkust

voert.

Hoewel de herfst reeds had ingezet, was het weder nog bestendig en

zeldzaam warm.

Het was dan ook een verrukkelijke tocht en de beide vrienden genoten

volop en spraken weinig, verzonken als zij waren in den aanblik van het

schoone landschap van deze streken van Old England.

Henderson „hield niet van treuzelen,” zooals hij het plat uitgedrukt

noemde en zoo bereikte de groote reiswagen reeds drie uur later de oude

fraaie havenstad Hastings.

Na eenige informaties wisten de reizigers daar tamelijk spoedig te

ontdekken waar het landgoed van Graaf Sealyham gelegen was.

Het heette „Primros Castle” en was gelegen aan een grooten zijweg van

den straatweg, van Londen naar Hastings.

De auto moest dus weder op haar weg terug keeren. Na een half uur

rijden werd een zijweg ingeslagen en geen kwartier later zagen de drie

mannen de torens van het grafelijke kasteel boven het geboomte

uitrijzen.

Primros Castle bleek een uitstekend bewaard gebleven specimen van

middeleeuwsche bouwkunst te zijn en er was slechts weinig aan

gerestaureerd.

Alleen was er in den lateren tijd een vleugel bijgebouwd, die in stijl

eenigszins afweek van het oorspronkelijke gebouw. Een machtig kasteel

met torens, kanteelen en overblijfselen van de oude vestinggracht, die

er in vroegere eeuwen omheen had geloopen.

Rondom het kasteel strekte zich een groot park uit, dat door een hoog

hek van den weg was gescheiden.

De auto stond stil.

Henderson verliet zijn zetel en belde aan.

Het duurde eenigen tijd voor er een oude bediende verscheen, met licht

haar en gebogen rug.

De man naderde langzaam en liep blijkbaar niet al te goed.

Hij moest minstens zeventig jaar zijn en was blijkbaar reeds een

menschenleeftijd in dienst van het grafelijk geslacht der Sealyhams.

Eindelijk stond hij voor het hek.

Het scheen of hij met wantrouwenden blik de groote auto en hare

inzittenden monsterde.

„Is je meester thuis en te spreken, mijn vriend?” vroeg Raffles vanuit

de auto.

„Mijn meester is thuis, maar ik weet niet of hij ontvangt,” antwoordde

de oude bediende met slepende stem.

„Ga dan eens spoedig vragen. Zeg dat het een zaak van het grootste

gewicht geldt. Hier is mijn kaartje.”

Henderson nam het visitekaartje aan, dat Raffles uit een kleine

marokijne portefeuille had genomen en gaf het den bediende.

Deze wierp er tersluiks een blik op en zeide: „Ik zal uw verzoek gaan

overbrengen, Mylord.”

En met die woorden strompelde hij weg.

Raffles wierp Charly een veelbeteekenenden blik toe, en zeide op

zachten toon:

„Naar het schijnt ontvangt de graaf niet veel bezoeken. Die oude

bediende scheen onze komst maar half aangenaam te vinden.”

„En wat is het hier stil en bijna droevig,” zeide Charly, die een blik

in het geheel verlaten park had geworpen, waar de hooge boomen roerloos

te droomen schenen.

„Ja, het lijkt het verblijf van de smart,” hernam Raffles op gedempten

toon. „Het is of hier alle vreugde voor goed verdwenen is, door een of

andere booze macht.”

Het duurde vrij lang voor de bediende weder verscheen.

Zonder een woord te spreken, opende hij niet zonder moeite het groote

hek, zoodat de auto kon binnen rijden en langs het oprijpad het breede

terras kon bereiken.

Hier werden de bezoekers opgewacht door een buttler, die al weinig

jonger scheen te zijn dan de bediende die het hek had geopend.

Raffles en Charly stegen uit en beklommen het terras.

De buttler boog zwijgend voor hen, begeleidde hen door de groote hall,

waar een gedempt licht heerschte, door een aantal breede gangen en

langs eenige trappen naar de tweede verdieping van het kasteel.

Op dien ganschen weg waren zij niemand tegen gekomen.

Geen enkel gerucht deed zich hooren in het groote huis.

En Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat het niets anders moest

zijn geweest in het betooverde kasteel van de schoone slaapster....

Eindelijk stond de buttler stil voor een hooge eikenhouten deur.

Hij klopte aan en opende tegelijk de deur.

„Lord William Aberdeen,” kondigde hij met een matte stem aan.

De twee vrienden traden binnen en de buttler sloot de deur weder achter

hen.

HOOFDSTUK VI.

DE OUDE VADER.

Zij bevonden zich in een vertrek met een hooge uit eikenhouten balken

bestaande zoldering.

Lord Lister No. 0373: De krankzinnige · 第 2 / 4 段